**1.** Een aanvraag om subsidie wordt binnen zes maanden na de gebeurtenis, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, b of c, ingediend bij de bank, met gebruikmaking van een formulier, waarvan het model bij regeling van Onze Minister wordt vastgesteld. De aanvraag gaat vergezeld van:
alle bewijsstukken betreffende de oorzaak en de omvang van het verlies;
een verklaring van de aanvrager omtrent de waarde van de in artikel 20, eerste lid, onder b en tweede lid, onder c, bedoelde voordelen;
de namen van de personen die op het tijdstip van de gebeurtenis, bedoeld in artikel 20 eerste lid, onder a, b of c, of op enig tijdstip in de daaraan voorafgaande twee jaar aandeelhouder waren van de aanvrager, in dienst waren van de aanvrager dan wel betrokken waren bij het beheer van de aanvrager;
een verklaring van een accountant omtrent de juistheid en volledigheid van de in de aanvraag vermelde gegevens en bij de aanvraag meegezonden bewijsstukken;
de bescheiden, bedoeld in artikel 12, eerste lid, betreffende de twee laatst verlopen boekjaren, tenzij de bank deze bescheiden reeds heeft ontvangen;
de door de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap of de vennoten vastgestelde of goedgekeurde jaarrekeningen betreffende de sedert de verkrijging van de participatie verlopen boekjaren.
**2.** Aanvragen worden niet ingediend per telefax.
Hoofdstuk 4 › § 4
Artikel 27
Artikel 27
Onderdeel van Besluit particuliere participatiemaatschappijen· Ondernemingspraktijk
Deze tekst geldt sinds 11 mei 1994