**1.** Een varend klein schip, niet bestemd of gebezigd voor het vervoer van goederen, moet aan boord hebben:
een of meer pagaaien of roeispanen;
voor iedere persoon aan boord, binnen handbereik, hetzij een reddingsgordel, een reddingskussen of een reddingsvest;
een touw van 30 meter;
een of meer meertouwen van 10 m;
een anker of een dreg;
een hoosvat of een handpomp;
een misthoorn of toeter;
een goedgekeurde poederblusser indien het een motorschip is.
**2.** Onverminderd het eerste lid mag een snelle motorboot slechts deelnemen aan de scheepvaart indien deze tevens voldoet aan de volgende eisen:
de stuurinrichting moet deugdelijk en doelmatig zijn;
de inrichting van de boot en van de motor moet zodanig zijn dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen;
de (afgewerkte) uitlaatgassen moeten door een behoorlijk geluiddempende inrichting worden afgevoerd;
de boot moet zijn voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand komen.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.02a
Uitrusting en constructie van kleine schepen
Onderdeel van Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 1 mei 1994