Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.02a

Uitrusting en constructie van kleine schepen

Onderdeel van Scheepvaartreglement Gemeenschappelijke Maas· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 1 mei 1994

1. Een varend klein schip, niet bestemd of gebezigd voor het vervoer van goederen, moet aan boord hebben: een of meer pagaaien of roeispanen; voor iedere persoon aan boord, binnen handbereik, hetzij een reddingsgordel, een reddingskussen of een reddingsvest; een touw van 30 meter; een of meer meertouwen van 10 m; een anker of een dreg; een hoosvat of een handpomp; een misthoorn of toeter; een goedgekeurde poederblusser indien het een motorschip is. 2. Onverminderd het eerste lid mag een snelle motorboot slechts deelnemen aan de scheepvaart indien deze tevens voldoet aan de volgende eisen: de stuurinrichting moet deugdelijk en doelmatig zijn; de inrichting van de boot en van de motor moet zodanig zijn dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen; de (afgewerkte) uitlaatgassen moeten door een behoorlijk geluiddempende inrichting worden afgevoerd; de boot moet zijn voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand komen.

Rechtspraak bij dit artikel