Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Artikel 1

Onderdeel van Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2013

1. In dit besluit wordt verstaan onder: Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie; titel van opsporingsbevoegdheid: de titel van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 3; akte van opsporingsbevoegdheid: de akte van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering; aanwijzing: de aanwijzing, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering; aanvullende opsporingsbevoegdheid: de aanvullende opsporingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 142, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering; de akte van beëdiging: de akte van beëdiging, bedoeld in artikel 19, eerste lid; politiebevoegdheden: de bevoegdheden, bedoeld in artikel 7, eerste en derde lid, van de Politiewet 2012; werkgever: de werkgever van de buitengewoon opsporingsambtenaar; bewijs van bekwaamheid: een bewijs van het met goed gevolg afgelegd hebben van het door Onze Minister goedgekeurde examen; legitimatiebewijs: een bewijs als bedoeld in artikel 26 van dit besluit; insigne: het onderscheidingsteken, bedoeld in artikel 26a, eerste lid. 2. Als standplaats in de zin van dit besluit wordt aangemerkt: indien de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is zijn taak uit te oefenen in een gebied waarin meerdere regionale eenheden van de politie de politietaak uitvoeren, dan wel in het gehele land: de gemeente van vestiging van de werkgever; indien de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is zijn taak uit te oefenen in het gebied waarin één regionale eenheid van de politie de politietaak uitvoert: de gemeente waar hij zijn hoofdwerkzaamheden verricht, dan wel een gekozen gemeente uit de gemeenten, waarin hij werkzaam is. 3. In dit besluit wordt verstaan onder het College van procureurs-generaal: het College van procureurs-generaal, bedoeld in artikel 130 van de Wet op de rechterlijke organisatie. 4. In dit besluit wordt verstaan onder: toezichthouder: de hoofdofficier van justitie, bedoeld in artikel 36, tweede lid; direct toezichthouder: degene, die op grond van artikel 36, derde lid, als direct toezichthouder is aangewezen. De (direct) toezichthouder is geen toezichthouder bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel