Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk III

Artikel 6

Artikel 6

Onderdeel van Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2026

1. Artikel 30 van de wet vindt toepassing voor een bestelauto die wordt gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden: indien de bestelauto uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en wordt gehouden door een kermis- of circusexploitant; een bestelauto die is ingericht als werktuig: indien de bestelauto als zodanig uiterlijk herkenbaar is, het als zodanig wordt gebruikt op vaste plaatsen en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende iedere opeenvolgende periode van vier aaneengesloten tijdvakken na het eerste tijdvak waarop artikel 30, eerste lid, van de wet van toepassing is, dan wel, in het geval een kortere vrijstellingsperiode van toepassing is, niet meer dan vijftien dagen per tijdvak van de weg gebruik wordt gemaakt en het gebruik uitsluitend dient voor de verplaatsing naar een andere werkplek; een bestelauto die is ingericht als werkplaats: indien de bestelauto is voorzien van een laadruimte waarin permanent een werkbank is aangebracht, het met het oog op de te verrichten werkzaamheden noodzakelijke gereedschap permanent daarin aanwezig is, de bestelauto uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende iedere opeenvolgende periode van vier aaneengesloten tijdvakken na het eerste tijdvak waarop artikel 30, eerste lid, van de wet van toepassing is, dan wel, in het geval een kortere vrijstellingsperiode van toepassing is, niet meer dan vijftien dagen per tijdvak van de weg gebruik wordt gemaakt en het gebruik uitsluitend dient voor de verplaatsing naar een andere werkplek. 2. De toepassing van artikel 30, eerste lid, van de wet vindt plaats op verzoek. 3. Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend voor de aanvang van het eerste tijdvak waarover om de toepassing van artikel 30, eerste lid, van de wet wordt verzocht. 4. Bij het verzoek worden bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden, alsmede een opgave van het kenteken van het motorrijtuig. 5. Wanneer een motorrijtuig niet meer voldoet aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden doet de belastingplichtige daarvan opgaaf aan de inspecteur. 6. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Tenzij in de beschikking anders is bepaald, werkt deze terug tot op het tijdstip waarop het eerste tijdvak aanvangt waarop het verzoek betrekking heeft. 7. Indien aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden niet langer wordt voldaan, trekt de inspecteur de beschikking in. De intrekking geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking. 8. Indien degene aan wie de beschikking is verleend niet voldoet aan de verplichting bedoeld in het vijfde lid, wordt de beschikking geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden niet meer wordt voldaan. Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 30 van de Wet vrachtwagenheffing in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel