**1.** Indien een lid over een onderwerp dat vreemd is aan de orde van de dag inlichtingen van een of meer ministers verlangt, kan hij, onder aanduiding van de voornaamste punten waarover hij vragen wil stellen, aan de Kamer verlof vragen tot het houden van een interpellatie. Zulk een verlof wordt mondeling gevraagd bij het begin van de vergadering. Het lid brengt de Voorzitter vóór het begin van de vergadering van zijn voornemen op de hoogte. De Voorzitter kan ook op een ander tijdstip het aanvragen van een interpellatie toestaan.
**2.** Wanneer de Kamer het gevraagde verlof verleent, bepaalt de Voorzitter hetzij dadelijk, hetzij later, een dag waarop de interpellatie zal worden gehouden. De daarbij betrokken minister wordt uitgenodigd op de bepaalde dag in de vergadering tegenwoordig te zijn. Indien de zaak zeer veel spoed vereist en de minister tegenwoordig is, kan de Voorzitter besluiten dat de interpellatie dadelijk wordt gehouden. De minister geeft dan, indien hem dit mogelijk is, dadelijk de gevraagde inlichtingen; is hem dit niet mogelijk, dan stelt de Voorzitter de verdere behandeling tot een later tijdstip uit.
**3.** De interpellant doet, tenzij de interpellatie dadelijk wordt gehouden, de Voorzitter zo spoedig mogelijk schriftelijk weten welke vragen hij bij de interpellatie zal stellen. Deze zendt ze aan de daarbij betrokken minister door, tenzij bij hem wegens vorm of inhoud van de vragen daartegen overwegend bezwaar bestaat. Doorgezonden vragen brengt de Voorzitter ter kennis van de leden.
**4.** Bij een interpellatie voert de interpellant niet meer dan twee malen en een ander lid niet meer dan eenmaal het woord, tenzij de Kamer hiertoe verlof geeft.
Hoofdstuk IX › Paragraaf
Artikel 139
Artikel 139
Onderdeel van Reglement van Orde van de Eerste Kamer der Staten-Generaal· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 6 juni 1995