Met de beide EG-verordeningen is een nieuwe stap gezet naar het in kaart brengen en het beheersen van de risico’s van de zogenoemde bestaande stoffen.
Met EG-richtlijn 67/548/EEG inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196) was reeds een kennisgevingsstelsel voor het binnen de Europese Unie op de markt brengen van nieuwe stoffen geïntroduceerd. Van de verplichting tot het doen van een kennisgeving waren echter de stoffen uitgezonderd die op 18 september 1981 reeds binnen de Europese Unie op de markt waren gebracht. Deze bestaande stoffen zijn, ingevolge richtlijn nr. 67/548/EEG, opgenomen in de zogenaamde Europese Inventaris van bestaande commerciële chemicaliën (EINECS) (PbEG 1990, C 146).
Met de basisverordening wordt beoogd binnen de Europese Unie een systematische beoordeling van de risico’s van deze EINECS-stoffen tot stand te brengen. Daarbij wordt de meeste aandacht geschonken aan de bestaande stoffen die in de Europese Unie in grote hoeveelheden worden geproduceerd dan wel geïmporteerd. Ten aanzien van een groot aantal van deze bestaande stoffen moet de fabrikant of importeur bepaalde informatie verstrekken aan de Europese Commissie.
Mede op basis daarvan stelt de Europese Commissie in overleg met de lid-staten lijsten van prioriteitsstoffen of groepen prioriteitsstoffen op. Dergelijke stoffen behoeven vanwege hun mogelijke effecten voor mens of milieu bijzondere aandacht.
Met betrekking tot een prioriteitsstof dient de fabrikant of importeur specifieke inlichtingen te verstrekken.
Voor elke prioriteitsstof wordt een lid-staat aangewezen, die verantwoordelijk is voor de beoordeling van de risico’s. De lid-staat wijst een rapporteur aan die belast wordt met de beoordeling van de risico’s op basis van de over een prioriteitsstof verstrekte gegevens. In Nederland is de minister hiertoe aangewezen.
De beoordeling van de risico’s moet plaatsvinden aan de hand van beginselen die zijn neergelegd in de uitvoe-ringsverordening.
Ter ondersteuning van de lid-staten bij de uitvoering van de risicobeoordeling worden door de Europese Commissie zogenoemde ’Technical Guidance Documents’ opgesteld. Deze documenten kunnen tegen vergoeding van de kosten worden verkregen bij het Bureau milieugevaarlijke stoffen, Postbus 30945, IPC 655, 2500 GX
’s-Gravenhage (tel. 31-703394979;
fax 31-703391314).
Als de risicobeoordeling van de rapporteur daartoe aanleiding geeft, doet de rapporteur een voorstel voor een strategie om de risico’s te beperken.
Zowel de risicobeoordeling als het voorstel voor de te volgen strategie worden via een speciale procedure door de Europese Unie goedgekeurd. De risicobeoordeling en de voorgestelde strategie kunnen uiteindelijk leiden tot voorstellen van de Commissie tot het treffen van de noodzakelijke communautaire maatregelen.
Ook in Nederland wordt al jaren gewerkt aan de harmonisatie van de methoden voor risicobeoordeling van stoffen. Zo is een zogenoemd Uniform Beoordelingssysteem Stoffen (UBS) ontwikkeld. Dit UBS is een beslissingsondersteunend instrument voor overheden, onderzoeksinstituten en chemische bedrijven bij de beoordeling van de risico’s van stoffen voor mens en milieu.
Het UBS zal, waar mogelijk, door de minister worden toegepast bij de risicobeoordeling van bestaande stoffen in het kader van de basisverordening.
Het rapport over UBS en een beschrijving van het model, inclusief een daarbij behorende diskette en een handleiding, kan tegen betaling van fl. 150,– worden verkregen bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Distributiecentrum, Postbus 351, 2700 AJ Zoetermeer. Het betreft het Uniform System for the Evaluation of Substances (USES), RIVM, VROM, WVC (1994), uitgave van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, distributienummer 11144/150 (bij bestelling dient dit distributienummer te worden vermeld).
Inmiddels heeft de Europese Commissie 42 prioriteitsstoffen aangewezen, waarvan er voor acht een risicobeoordeling zal worden uitgevoerd door de minister (PbEG L 131).
Daar de risicobeoordeling een verantwoordelijkheid is van de lid-staten,
zullen zij tot een oordeel moeten komen over de omvang en aanvaardbaarheid van de risico’s van een stof. Het is daarom nodig uit te gaan van risicogrenzen.
De basisverordening en de uitvoeringsverordening bevatten niet in alle gevallen risicogrenzen op grond waarvan tot een oordeel kan worden gekomen over de aanvaardbaarheid van het in de handel brengen en het gebruik van een stof. In deze gevallen, in het bijzonder bij de beoordeling van de risico’s als gevolg van de toxische en chemisch-fysische eigenschappen van een stof, zullen de grenzen worden aangehouden die in de Nota Omgaan met risico’s (Kamerstukken II 1988/89, 21 137, nr. 5) zijn neergelegd. Deze grenzen zijn nader uitgewerkt in de Strategie notitie Verspreiding (Kamerstukken II 1991/92, 22 767, nr. 1). De risicogrenzen vormen een uitwerking van het in het milieubeleid gehanteerde uitgangspunt te streven naar een duurzame ontwikkeling. Deze grenzen zijn overigens niet van toepassing op de beoordeling van de risico’s van een stof op de arbeidsplaats.
Artikel 3
Achtergrond van de EG-verordeningen
Onderdeel van Risicobeoordeling bestaande stoffen· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 15 juli 1995