Voor kapitaalverzekeringen overeengekomen met de eigen BV zijn in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) zowel vóór 1 januari 1992 als met ingang van die datum geen specifieke bepalingen opgenomen. Kapitaalverzekeringen kunnen ook worden overeengekomen met andere dan zogenoemde professionele verzekeraars.
Bij de beoordeling van een kapitaalverzekering gesloten bij een ‘eigen’ BV dient in de eerste plaats de vraag te worden beantwoord of voldaan wordt aan de formele vereisten van het begrip levensverzekering (paragraaf 4). De volgende vraag is of de verzekering in materiële zin reëel is, dat wil zeggen of de BV zich als een reële verzekeraar gedraagt en in het bijzonder of deze in staat is onder alle omstandigheden te voldoen aan de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Ter zake worden enkele richtlijnen voor de praktijk gegeven (paragraaf 5).
Indien vaststaat dat sprake is van een levensverzekering als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Wet kan de desbetreffende kapitaalsuitkering in aanmerking komen voor de vrijstellingen van artikel 26a van de Wet (paragraaf 6). Als laatste resteert dan nog de vraag of aan de kapitaalverzekering zodanige onzakelijke elementen zijn verbonden dat deze elementen winstuitdelingen aan de digra inhouden (paragraaf 7). In paragraaf 9 komen enkele aspecten van de winstbepaling van de BV aan de orde.
Artikel 3
Uitgangspunten
Onderdeel van Kapitaalverzekeringen overeengekomen met de eigen BV· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 10 augustus 1995