Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Richtlijnen ter beoordeling realiteitsgehalte

Onderdeel van Kapitaalverzekeringen overeengekomen met de eigen BV· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 10 augustus 1995

Indien de kapitaalverzekering met de BV voldoet aan de in paragraaf 4 genoemde wettelijke definitie, dient naar mijn oordeel, mede gezien de bijzondere persoon van de verzekeraar, te worden onderzocht of de overeenkomst reële betekenis heeft. Het gaat daarbij om de in verhoudingen tussen digra’s en hun BV gebruikelijke beoordeling of de overeenkomst op zakelijke gronden, op de wijze als tussen onafhankelijke derden, is tot standgekomen. Aan de orde is derhalve de vraag of hetgeen als premie voor een kapitaalverzekering aan de BV wordt voldaan, ook daadwerkelijk een zodanige premie inhoudt en niet, bij voorbeeld, een inleg op een spaarvorm of een informele kapitaalinbreng. Eén van de elementen voor de beantwoording van die vraag is de beoordeling of de BV zich ook daadwerkelijk als verzekeraar opstelt. Met andere woorden of de voor een levensverzekering essentiële elementen, zowel rechten als verplichtingen, door de BV (kunnen) worden nagekomen. Naar mijn oordeel is daaraan in ieder geval voldaan indien wordt aangesloten bij hetgeen met betrekking tot levensverzekeringen overeengekomen met professionele verzekeraars vereist dan wel gebruikelijk is. Bij de beoordeling of de kapitaalverzekering met de BV reëel is, is het van belang onderscheid te maken naar gelang de soort overeenkomst. De overeenkomst zal in het algemeen een kapitaalsuitkering bij leven op een bepaalde datum inhouden alsmede een bepaalde kapitaalsuitkering bij overlijden vóór die datum. Daarnaast komen overeenkomsten voor waarbij sprake is van een uitkering op vaste termijn waarvan de periodieke premiebetaling afhankelijk is van het leven. Wat de kapitaalsuitkering bij leven betreft zijn de hoofdvormen fractieverzekering en guldensverzekering te onderkennen. De uitkering bij leven bestaat uit (de tegenwaarde van) beleggingen inclusief daarmee behaalde rendementen (hierna: fractieverzekering). Met betrekking tot een fractieverzekering loopt de BV geen risico (behoudens de verhoudingsgewijs geringe extra elementen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de formele vereisten van het begrip levensverzekering als bedoeld in paragraaf 4). Deze verzekeringen zijn op het punt van de uitkering bij leven in ieder geval reëel te noemen indien de overeengekomen beleggingen overeenstemmen met die welke door verzekeringsmaatschappijen voor fractieverzekeringen worden aangeboden en indien die beleggingen daadwerkelijk door de BV worden aangeschaft en aangehouden. De uitkering bij leven bestaat uit een vastgestelde uitkering in guldens (hierna: guldensverzekering). De guldensverzekering bij de BV is op het punt van de uitkering bij leven in ieder geval reëel te noemen, indien de BV de ontvangen premies zodanig heeft belegd dat daarmee de aangroeiende waarde van de verzekering, rekening houdend met de gedane toezeggingen, door de onderliggende beleggingen naar verwachting zal worden gedekt. Als dergelijke beleggingen zijn in dit verband bij voorbeeld aan te merken obligaties en aandelen in fondsen die grotendeels beleggen in schuldvorderingen en hypothecaire vorderingen. Een bijzondere omstandigheid vormt in dit verband een eventuele rentegarantie – uitgaande boven de gebruikelijke rekenrente van 4 procent – die door de BV voor nog te ontvangen premies wordt gegeven. Verzekeringsmaatschappijen dienen in dergelijke gevallen op grond van solvabiliteitseisen van de Verzekeringskamer in het algemeen te beschikken over eigen voorbeleggingen dan wel beleggingsafspraken met derden. Naar mijn oordeel behoeft daarvan bij een kapitaalverzekering met de BV geen sprake te zijn mits de rentegarantie niet uitgaat boven een in de markt gebruikelijk rendement per contractdatum (bij voorbeeld uitgaande van het zogenoemde CBS- of het t/u-rendement, verminderd met een gedeelte tot eigen behoud van de BV, zie paragraaf 7). Twijfels over het realiteitsgehalte van de verzekeringsovereenkomst kunnen ontstaan in de situaties waarin de BV een onderneming drijft en de ontvangen premies worden ‘belegd’ in die onderneming. Daarvan kan ook sprake zijn indien de met de premies door de BV verworven beleggingen dienen tot onderpand van de financiering van de onderneming. In dergelijke gevallen zullen de concrete omstandigheden van het geval doorslaggevend zijn voor de beoordeling of sprake is van een reële verzekeringsovereenkomst. Bij de beoordeling of de kapitaalverzekering met de BV een reële levensverzekering vormt, verdient de verzekerde uitkering ten gevolge van overlijden bijzondere aandacht. Indien deze uitkering op enigerlei tijdstip in betekenisvolle mate uit zou gaan boven de door de BV ontvangen premies vermeerderd met het ter zake behaalde rendement, zal de BV uit andere hoofde moeten beschikken over voldoende liquide of liquide te maken middelen om aan de contractuele verplichtingen te kunnen voldoen. Als een niet-liquide positie beschouw ik die waarbij de liquiditeiten weliswaar voorhanden zijn, doch deze niet kunnen worden uitgekeerd zonder de continuïteit van een door de BV gedreven onderneming in gevaar te brengen. Voor zover de BV de contractuele verplichtingen uit hoofde van de overlijdensverzekering niet kan nakomen, is naar mijn oordeel alleen sprake van een reële verzekerde overlijdensuitkering indien de BV het risico van overlijden herverzekert bij een professionele verzekeraar. Bij de herverzekering kan uiteraard worden volstaan met het telkenjare verzekeren van een kapitaal dat gelijk is aan de gegarandeerde overlijdensuitkering verminderd met de reeds in de BV aanwezige middelen als gevolg van ontvangen premies en de daarop behaalde rendementen (in de regel zal dit inhouden dat een dalende overlijdensrisico-herverzekering volstaat). Met betrekking tot verzekeringen met een overlijdensuitkering merk ik op dat professionele verzekeraars globaal gesproken bij bedragen boven f 200.000, recentelijk verhoogd tot f 300.000, verzekerd kapitaal een medische keuring vragen. Verwacht mag worden dat een dergelijke keuring ook plaats vindt ter zake van een door de BV verzekerde uitkering ten gevolge van overlijden. Deze keuring heeft achterwege kunnen blijven indien herverzekering van het overlijdensrisico heeft plaatsgevonden bij een professionele verzekeraar dan wel indien de uitkering bij overlijden niet in betekenisvolle mate uitgaat boven de door de BV ter zake van de verzekering ontvangen premies vermeerderd met het daarop behaalde rendement. Eén van de essentiële elementen van een kapitaalverzekering is dat in het algemeen de berekening van de verzekerde elementen plaatsvindt aan de hand van actuariële maatstaven en methoden. Voor zover deze ook door een professionele verzekeraar worden gehanteerd, behoren deze ook bij de kapitaalverzekering met de BV te worden gehanteerd. Aan dit aspect wordt in ieder geval voldaan indien de verzekerde uitkeringen en de verschuldigde premies zijn gebaseerd op dan wel overeenstemmen met offertes uitgebracht door professionele verzekeraars. De kosten- en winstopslag van de verzekeraar zijn in een dergelijke offerte begrepen. Ik ga ervan uit dat de BV eveneens een kosten- en winstopslag zou hanteren indien deze als verzekeraar optreedt voor een onafhankelijke derde. Voor de overeenkomst met de digra geldt wat betreft de winstopslag naar mijn oordeel hetzelfde; een lagere kostenopslag dan bij professionele verzekeraars gebruikelijk is, kan aan de orde zijn indien de BV daadwerkelijk tot dat lagere niveau kosten maakt.

Rechtspraak bij dit artikel