Bij de winstbepaling van de BV zijn de hiervóór genoemde uitgangspunten eveneens van toepassing.
De voor de BV uit de kapitaalverzekering voortvloeiende verplichting wordt binnen de regels van het goed koopmansgebruik gewaardeerd. De BV heeft slechts een verplichting voor zover premies zijn ontvangen. Een lineaire waardering is naar mijn mening niet mogelijk, omdat daarmee vooruit zou worden gelopen op toekomstige premie-ontvangsten. Dit komt in strijd met het realisatiebeginsel op grond waarvan aan elk jaar de baten en lasten worden toegerekend die op dat jaar betrekking hebben. Hieruit vloeit een jaarlijkse actuariële waardering van de verplichting voort. Afgezien van het vorenstaande zou er naar mijn oordeel voor een lineair stelsel in verband met het eenvoudsbeginsel geen aanleiding meer zijn, gelet op de heden ten dage ten dienste staande mogelijkheden op het gebied van de automatisering. Een jaarlijkse actuariële berekening van de verplichting levert in deze sfeer geen belemmeringen meer op.
Ik merk overigens op dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 november 1994, nr. 29448, V-N 1994, blz. 3759, heeft geoordeeld dat voor een waardering volgens het lineaire stelsel ook bij een gerichte lijfrente binnen goed koopmansgebruik geen plaats is.
Voor fractieverzekeringen waarbij de uitkering bestaat uit de tegenwaarde van de beleggingen inclusief de daarmee behaalde rendementen is de waarde van de passiefpost gelijk aan de daar tegenover staande beleggingen aan de actiefkant van de balans.
Bij de actuariële waardering van verplichtingen inzake guldensverzekeringen dient te worden uitgegaan van de tariefrente.
Voor de situatie waarin geen sprake (meer) is van een reële kapitaalverzekering wordt de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting beschouwd als een langlopende schuld en overeenkomstig gewaardeerd.
Artikel 9
Winstbepaling vennootschap
Onderdeel van Kapitaalverzekeringen overeengekomen met de eigen BV· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 10 augustus 1995