Op 11 juli 1990 heeft de Hoge Raad de arresten BNB 1990/290* (rolnr. 25 579) en BNB 1990/293* (rolnr. 26 306) gewezen. In deze arresten heeft de Hoge Raad onder meer beslist dat het leerstuk van de wetsontduiking kan worden toegepast op kasgeldconstructies.
Het kasgeldbeleid houdt in dat met toepassing van genoemd leerstuk in deze gevallen wordt geconstateerd dat inkomsten uit vermogen zijn genoten.
Met betrekking tot het tarief geldt ingevolge deze arresten voor de met toepassing van het leerstuk van de wetsontduiking genoten inkomsten het volgende.
Indien alle aandelen in een kasgeldvennootschap worden vervreemd, dient in het algemeen de vervreemding voor wat betreft het tarief te worden behandeld als een naar het (hoge) bijzondere tarief van artikel 57, eerste lid, letter f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1995; hierna: de Wet) te belasten liquidatie dan wel als een naar het (hoge) bijzondere tarief van artikel 57, eerste lid, letter g, van de Wet te belasten vervreemding in het zicht van liquidatie (de zinsnede ‘in het algemeen’ geeft de mogelijkheid aan dat in bijzondere gevallen, zoals de zogenoemde repeterende splitsing, toepassing van het tabeltarief aan de orde komt).
Indien slechts een gedeelte van de aandelen wordt vervreemd, dient voor wat betreft het tarief aansluiting te worden gezocht bij het regime van de inkoop van eigen aandelen van artikel 57, eerste lid, letter d, van de Wet. Indien aan de desbetreffende vereisten wordt voldaan, is het (hoge) bijzondere tarief van toepassing, in de overige gevallen het tabeltarief.
De arresten van de Hoge Raad van 4 mei 1994, rolnrs. 28 407, 28 408 en 29 087, BNB 1994/249c* tot en met 251*, hebben meer duidelijkheid verschaft over de mogelijkheid van heffing ter zake van de kasgeld- en holdingconstructies. Ingevolge deze arresten kan het hiervóór aangeduide beleid alleen worden toegepast op situaties waarin aandeelhouders in het kader van een kasgeld- of holdingconstructie zich reserves in een vennootschap doen toekomen terwijl zij hun belang bij de in de vennootschap uitgeoefende (ondernemings)activiteiten geheel of nagenoeg geheel behouden. Onder ‘geheel of nagenoeg geheel’ wordt verstaan: ten minste 90%. Vermindert de gerechtigdheid in de vennootschap met meer dan 10% dan geldt volgens de Hoge Raad in beginsel het vermoeden dat het belang bij de in de vennootschap gedreven onderneming niet meer geheel of nagenoeg geheel is behouden. Teneinde vast te stellen of dit vermoeden is gerechtvaardigd, dienen de inspecteurs te beoordelen of er sprake is van een duurzame vermindering van meer dan 10% van het belang bij de onderneming. Op dit punt ga ik hierna in punt 3, onderdeel j (bewijslastverdeling) nader in.
Ook het arrest Hoge Raad 19 januari 1994, rolnr. 28 646, BNB 1994/87c* heeft belangrijke consequenties voor het te voeren beleid. Dit arrest komt onder andere nader aan de orde bij punt 3, onderdeel b (bate) en punt c (zakelijk belang) en bij punt 8 (Ondernemings-eis).
Artikel 2
Arresten
Onderdeel van Herziening besluit inzake overdracht van aandelen in het kader van een kasgeld- c.q. holdingconstructie· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 14 augustus 1995