Naar hoofdinhoud

Artikel D

Diverse andere maatregelen

Onderdeel van Arbeidsvoorwaarden- en werkgelegenheidsbeleid sector Rijk 1995-1997· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 6 oktober 1995

De sector Rijk zal afgestemd op haar behoeften en mogelijkheden ook een bijdrage leveren aan de bestrijding van de werkloosheid. De departementen en de Hoge Colleges van Staat worden opgeroepen in het kader van de subsidieronde 1996 aanvragen in te dienen bij de stichting A+O fonds Rijk voor het financieren gedurende een periode van één jaar van werkervaringsplaatsen voor langdurig werklozen. Deze werkervaringsplaatsen kunnen zowel gericht zijn op lager als op hoger opgeleiden. De subsidievoorwaarden van het fonds sluiten zoveel mogelijk aan op de voorwaarden die door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) worden gehanteerd in het kader van de regeling ’Experimenten activering van uitkeringsgelden’. Ten behoeve van de financiering van deze plaatsen is in het SOR overeen-gekomen eenmalig een bedrag ad. f 4 miljoen ter beschikking te stellen aan het A+O fonds Rijk. Nader onderzocht zal worden in hoeverre een deel van de plaatsen gefinancierd kan worden m.b.v. zogenaamde Melkert-gelden die aan de gemeenten ter beschikking zijn gesteld. De subsidie voor de werkervaringsplaatsen moet zo spoedig mogelijk worden aangevraagd bij het A+O fonds Rijk. Formulieren voor het aanvragen van de subsidie kunnen verkregen worden bij: Stichting A+O fonds Rijk, Postbus 556, 2501 CN Den Haag, telefoon 070-3765758, bgg 3765759. In dit kader kan ik u meedelen dat de financiering van het creëren van functies op het niveau van schaal 1 zoveel mogelijk zal plaatsvinden met behulp van gelden die beschikbaar gesteld zijn voor de zogenaamde ’Melkert’-banen. De invulling van deze banen zal dan ook in overleg met de gemeente van de vestigingsplaats moeten worden geregeld. In de loop van dit jaar zal ik u hierover nader informeren. Voor wat betreft de concretisering van de arbo-verplichtingen, waarvan in de overeenkomst wordt gesproken, verwijs ik u voor een handreiking daartoe naar het ’Verslag pilotonderzoek arbozorg bij de rijksoverheid’ (juni 1995). Dit verslag is verkrijgbaar bij het Servicepunt van Binnenlandse Zaken (bereikbaar maandag tot en met vrijdag, van 9.00 – 12.00 uur; telefoon 070 – 3026827). De Wet op de ondernemingsraden (WOR) maakt een onderscheid tussen een ondernemingsraad (OR) van een kleine onderneming (100- OR) en die van een grote onderneming (100+ OR). Krachtens de WOR zijn de rechten van een 100- OR op onderdelen beperkt in vergelijking met die van een 100+ OR. De beperkingen die gelden voor een 100- OR zijn te vinden in de sfeer van zowel bevoegdheden als faciliteiten. Met de centrales voor overheidspersoneel is in het SOR overeengekomen om met gebruikmaking van de mogelijkheden die de WOR hiertoe biedt, de beperkingen van de 100- te doen wegnemen door deze qua bevoegdheden en faciliteiten gelijk te stellen met de 100+ OR. De afwijkende bepaling inzake het benodigd aantal hand-tekeningen ter ondersteuning van een ’vrije’ kandidatenlijst zal onverkort blijven gelden, aangezien gelijkstelling op dit punt een nadelig effect zou kunnen sorteren. Voor een overzicht van de verschillen tussen de 100- en 100+ OR wordt verwezen naar bijlage VI. De wijzigingen van onderscheidenlijk het Verplaatsingskostenbesluit 1989 en het Reisbesluit binnenland die in verband hiermee nodig zijn, zullen in werking treden na plaatsing van de desbetreffende maatregel van algemeen bestuur in het Staatsblad. Ik zal u daarover te zijner tijd nog nader informeren.

Rechtspraak bij dit artikel