Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 24

Artikel 24

Onderdeel van Douanewet· Belastingrecht

In werking sinds 1 juni 1996

1. Ter verzekering van de heffing van de rechten bij invoer kan de inspecteur identificatiemaatregelen tot stand brengen met betrekking tot, dan wel tot bewaking overgaan van, vervoermiddelen, bergingsmiddelen, verpakkingsmiddelen, goederen, werktuigen, leidingen, gebouwen of terreinen, of delen daarvan. 2. Een identificatiemaatregel welke is tot stand gebracht buiten het douanegebied van de Gemeenschap wordt, tenzij op deze maatregel artikel 250, eerste streepje, van het Communautair douanewetboek van toepassing is, met de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, slechts gelijkgesteld indien de inspecteur de buiten het douanegebied van de Gemeenschap tot stand gebrachte identificatiemaatregel heeft aanvaard. 3. De beheerder die door de inspecteur van diens voornemen om een identificatiemaatregel tot stand te brengen in kennis is gesteld, draagt er zorg voor dat de inspecteur deze maatregel op een deugdelijke wijze tot stand kan brengen. 4. Behoudens indien zich, al dan niet in het kader van een douaneregeling, gevallen voordoen als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van het Communautair douanewetboek, draagt de beheerder er zorg voor dat een door de inspecteur tot stand gebrachte identificatiemaatregel in stand blijft. 5. Ten aanzien van de in het derde en in het vierde lid opgelegde verplichtingen kan voor de beheerder niet het bestaan van overmacht worden aangenomen, indien hij niet onverwijld nadat hem bekend is geworden dat een identificatiemaatregel niet op deugdelijke wijze is tot stand gebracht of een identificatiemaatregel niet in stand is gebleven, daarvan aan de inspecteur mededeling doet. 6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld bij of krachtens welke de in het eerste lid bedoelde identificatiemaatregelen kunnen worden tot stand gebracht door anderen dan de inspecteur. 7. Degene die anders dan als inspecteur bevoegd is om een identificatiemaatregel tot stand te brengen, draagt er zorg voor dat die maatregel op een deugdelijke wijze tot stand wordt gebracht. 8. Indien een identificatiemaatregel is tot stand gebracht ingevolge het zesde lid, rust op de beheerder de in het vierde lid genoemde verplichting als gold het een ingevolge het eerste lid tot stand gebrachte identificatiemaatregel. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel