**1.** Van de dienst wordt uitgesloten
hij die bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een of meer straffen, zwaarder of tezamen zwaarder dan een gevangenisstraf van zes maanden; of
hij die bij rechterlijke uitspraak is ontzet uit het recht om bij de gewapende macht te dienen.
**2.** Onverminderd het eerste lid kan van de dienst worden uitgesloten hij die bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld ter zake van een van de misdrijven omschreven in artikel 36, tweede lid, van deze wet en in de artikelen 109 en 139 van het Wetboek van Militair Strafrecht.
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt hij, die gratie heeft gekregen, geacht slechts te zijn veroordeeld tot de straf, welke krachtens de gratie op hem blijft rusten of komt te rusten.
**4.** De uitsluiting geschiedt door Onze Minister.
**5.** In bijzondere gevallen kan de uitsluiting, bedoeld in het eerste lid, achterwege worden gelaten.
**6.** Onze Minister van Justitie bewerkstelligt dat ten aanzien van de voor de dienstplicht ingeschreven personen, die in de termen vallen om te worden uitgesloten als bedoeld in het eerste en tweede lid, de nodige opgaven worden gedaan aan Onze Minister. Onze Minister verwerkt strafrechtelijke persoonsgegevens voor zover dit noodzakelijk is voor de toepassing van dit artikel.
Deel C, artikel I, van Stb. 2012/682 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
HOOFDSTUK 1 › Paragraaf 4
Artikel 11
Redenen van uitsluiting
Onderdeel van Kaderwet dienstplicht· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2013