De opleiding tot apotheker is zodanig ingericht dat de betrokkene:
voldoende kennis verwerft:
van in de handel gebrachte geneesmiddelen en de voor hun bereiding gebruikte substanties, alsmede van de bereiding van geneesmiddelen in hun farmaceutische vorm;
van de natuurkundige, scheikundige, biologische en microbiologische controle op geneesmiddelen;
van het metabolisme, de uitwerking van geneesmiddelen, de werking van toxische stoffen en het gebruik van geneesmiddelen;
om wetenschappelijke gegevens omtrent geneesmiddelen te kunnen beoordelen en op grond daarvan ter zake dienende inlichtingen te kunnen verstrekken;
van de regelgeving, voor zover van belang voor de farmaceutische beroepsuitoefening;
van medische hulpmiddelen, voor zover van belang voor de farmaceutische beroepsuitoefening;
van de structuur en de financiering van de gezondheidszorg;
van het opslaan, bewaren en distribueren van geneesmiddelen;
van informatie- en registratiesystemen, informatietechnologie en digitale technologie en bekwaamheden voor de praktische toepassing ervan;
van klinische farmacie en farmaceutische zorg, alsmede de bekwaamheden voor de praktische toepassing ervan;
op het gebied van de volksgezondheid en de gevolgen daarvan voor gezondheidsbevordering en ziektebeheer;
op het gebied van inter- en multidisciplinaire samenwerking, interprofessionele praktijken en communicatie;
voldoende vaardigheid verwerft in:
het communiceren en samenwerken met andere werkers in de gezondheidszorg;
het geven van voorlichting en advies omtrent het gebruik van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen aan zorgverleners en patiënten;
de praktijkvoering als apotheekhoudende;
de bereiding van geneesmiddelen in hun farmaceutische vorm.
§ 2
Artikel 4
Artikel 4
Onderdeel van Besluit opleidingseisen apotheker· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026