Voor de toepassing van artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, van de WWB, artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, van de WIJ, artikel 1, derde tot en met zevende lid, van de AOW, artikel 3, tweede tot en met zesde lid, van de IOAW, artikel 3, tweede tot en met zesde lid, van de IOAZ, artikel 1, derde tot en met zevende lid, van de TW, artikel 1, derde tot en met zevende lid, van de WAJONG, artikel 1, derde tot en met zevende lid, van de WAO, artikel 1, derde tot en met zevende lid, van de WAZ, artikel 2, tweede tot en met zesde lid, van de Wet WIA, artikel 1, derde tot en met zevende lid, van de Wmo, artikel 1, derde tot en met zevende lid, van de ZW, artikel 2, tweede tot en met zesde lid, van de IOW en artikel 2, tweede tot en met vierde lid, van de WWIK wordt een registratie als bedoeld in artikel 3 in aanmerking genomen indien deze:
bij de aanvraag van bijstand, uitkering of voorziening bestaat;
in een periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag van bijstand, uitkering of voorziening op enig moment heeft bestaan; dan wel
gedurende de verlening van bijstand, uitkering of voorziening plaatsvindt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen in werking treedt.
Artikel 4
Bijzondere bepalingen in verband met de WWB, WIJ, AOW, IOAW, IOAZ, IOW, TW, WAJONG, WAO, WAZ, Wet WIA, Wmo, ZW en WWIK
Onderdeel van Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 december 2009