**1.** De artikelen 2:363, zesde lid, 2:380, 2:383, tweede lid, tweede zin, met uitzondering van de openstaande bedragen, alsmede de afdelingen 3 en 4 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de Bank. De Bank mag, mede ter bepaling van het resultaat, de waardering van de beleggingen, effecten en valuta doen berusten op grondslagen die afwijken van het bepaalde in artikel 2:384, eerste lid, tweede zin, of tweede lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek, voorzover dit in overeenstemming is met hetgeen in afdeling 14 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek daaromtrent is bepaald.
**2.** Van de bepalingen van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wijkt de Bank bovendien af, voorzover die afwijking naar het oordeel van de raad van commissarissen noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 2 bedoelde doelstellingen.
**3.** Van de bepalingen van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wijkt de Bank bovendien af voor zover die afwijking noodzakelijk is om uitvoering te kunnen geven aan instructies, als bedoeld in artikel 3, derde lid. De Bank stelt de raad van commissarissen onverwijld van de afwijking in kennis.
Treedt in werking tot het tijdstip dat de derde fase van de
Economische en Monetaire Unie ingaat, danwel indien Nederland op
het tijdstip dat de derde fase van de Economische en Monetaire
Unie ingaat een derogatie heeft als bedoeld in artikel 109 K van
het Verdrag, tot het tijdstip dat deze derogatie wordt ingetrokken.
Hoofdstuk III
Artikel 17
Artikel 17
Onderdeel van Bankwet 1998· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 1 januari 1999