Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3a › § 4

Artikel 12p

Financiële zekerheidsstelling

Onderdeel van Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2027

1. Bij een aanvraag tot toelating en een voorlopige toelating legt de aanvrager bewijs van financiële zekerheid over. 2. De financiële zekerheid wordt gesteld voor een bedrag van € 100.000 in het geval van een toelating en € 50.000 in het geval van een voorlopige toelating. 3. De financiële zekerheid wordt gesteld voor de nakoming van de financiële verplichtingen van de toegelaten uitlener die gedurende de geldigheidsduur van de toelating of een voorlopige toelating ontstaan: uit een arbeidsverhouding met een ter beschikking gestelde arbeidskracht; uit de bestuurlijke sancties wegens overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens deze wet, de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Wet arbeid vreemdelingen en de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie; in verband met de voldoening of afdracht van de omzetbelasting, de loonbelasting, de premie voor de volksverzekeringen, de premies voor de werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid, waaronder over: de vorm waarin financiële zekerheid wordt gesteld; de indexering van de bedragen bedoeld in het tweede lid; de voorwaarden waaronder, door wie en tot welk bedrag verhaal kan worden genomen op de financiële zekerheid; de voorwaarden waaronder de verplichting vervalt.

Rechtspraak bij dit artikel