Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1b

Uitzondering toelating

Onderdeel van Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2027

1. Van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3a zijn uitgezonderd: publiekrechtelijke rechtspersonen en privaatrechtelijke rechtspersonen handelend in de hoedanigheid van een publiekrechtelijke rechtspersoon, voor zover die: ter uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening of de Participatiewet personen met een arbeidsbeperking een dienstbetrekking aanbieden voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden; of een dienstbetrekking aanbieden aan personen die arbeidsbeperkten zijn als bedoeld in artikel 38b van de Wet financiering sociale verzekeringen, of met arbeidsbeperkten worden gelijkgesteld als bedoeld in artikel 38f, vijfde lid, van die wet; stichtingen die ten behoeve van een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsbegeleidende leerweg, als bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, van die wet een dienstbetrekking aangaan met een student en deze ter beschikking stellen aan een bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt en een erkenning als bedoeld in artikel 1.5.3 van die wet heeft; beveiligingsorganisaties en recherchebureaus als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, onderscheidenlijk onder f, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus met een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van die wet. 2. Indien door de toepassing van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3a de belangen van een of meer sectoren van het bedrijfsleven of segmenten van de arbeidsmarkt onevenredig worden geschaad in verhouding tot de met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten beoogde doelen, kunnen die sectoren of segmenten bij algemene maatregel van bestuur van de toepassing van het bepaalde bij of krachtens dat hoofdstuk worden uitgezonderd. 3. De voordracht voor een krachtens het vorige lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt er geen voordracht gedaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel