Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Inleiding en doel

Onderdeel van Beleidsregel natuurcompensatie en Tracéwet· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 september 1998

In het Structuurschema Groene Ruimte (SGR) is als uitgangspunt vastgelegd, dat in bepaalde gebiedscategorieën in principe geen ruimtelijke ingrepen mogen plaatsvinden. Volgens het ’nee-tenzij’-principe zijn dergelijke ingrepen alleen toegestaan indien er sprake is van een aantoonbaar zwaarwegend maatschappelijk belang en bij gebrek aan alternatieven. Op grond van het SGR dient de initiatiefnemer dan het verlies aan natuur, bos en/of recreatie te compenseren. Als gebiedscategorieën waarop dit compensatiebeginsel van toepassing is zijn in het SGR aangemerkt: kerngebieden van de ecologische hoofdstructuur; gerealiseerde natuurontwikkelingsgebieden; kleinere natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur die als zodanig zijn aangewezen in het streekplan, onder de werking van de Natuurbeschermingswet vallen of zijn vastgelegd in een bestemmingsplan; biotopen van aandachtssoorten die op indicatie van de soortenbeschermingsplannen van het Rijk in streekplannen en/of bestemmingsplannen zijn opgenomen; bossen en landschappelijke beplantingen vallend onder de Boswet; grootschalige openbare recreatievoorzieningen. Het compensatiebeginsel dient gestalte te krijgen in de vorm van mitigatie en compensatie. Onder mitigatie wordt verstaan het verminderen van nadelige effecten van ingrepen/activiteiten op de omgeving door bepaalde maatregelen. Dergelijke maatregelen hebben een directe, fysieke relatie met het te maken werk, in die zin dat zij worden uit-gevoerd aan, op of onder het werk zelf (denk aan ecoducten, dassentunnels en geluidsschermen). Onder compensatie wordt verstaan het creëren van nieuwe waarden die vergelijkbaar zijn met de verloren gegane waarden. Gaat het om volledig onvervangbare waarden dan heeft compensatie betrekking op het creëren van zo vergelijkbaar mogelijke waarden. In tegenstelling tot mitigerende maatregelen kunnen compenserende maatregelen ook buiten het beheersgebied van een werk liggen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat compensatie in principe in de directe omgeving van de ingreep moet plaatsvinden en zoveel mogelijk aansluitend aan een gebied met vergelijkbare waarden. Het voorgaande is van belang indien op grond van de Tracéwet de aanleg van infrastructuur in een SGR-gebied wordt overwogen. Volgens de lijn van het SGR zal moeten worden aangetoond dat de ingreep noodzakelijk is en zal voldoende zekerheid moeten worden geboden omtrent de realisering van de mitigerende en compenserende maatregelen. Deze lijn geldt evenzeer voor ingrepen buiten een SGR-gebied, indien hierop als gevolg van de ingreep negatieve effecten plaatsvinden (externe werking). Doel van de beleidsregel is vanuit de juridische invalshoek aan te geven hoe met natuurcompensatie moet worden omgegaan, indien toepassing daarvan bij de voorbereiding van concrete projecten aan de orde is. De beleidsregel moet leiden tot een uniforme aanpak bij de toepassing van het compen-satiebeginsel in de praktijk, waarbij recht wordt gedaan aan zowel de Tracéwet als het SGR.

Rechtspraak bij dit artikel