Is onderbrenging van een (bestaande) kapitaalverzekering van een eigen BV bij een andere eigen BV mogelijk? Wat zijn de fiscale gevolgen; dienen er voorwaarden te worden gesteld aan de overdracht? Gaat een eventuele eerbiedigende werking van artikel 76 Wet IB door de overgang verloren?
Evenals bij een kapitaalverzekering met een professionele verzekeraar is de onderbrenging van een kapitaalverzekering met de BV bij een andere verzekeraar fiscaal geruisloos mogelijk. In alle gevallen is de ‘nieuwe’ omzettingsbepaling van artikel 25, vierde lid, Wet IB van toepassing (levert overigens geen verschil op ten opzichte van de bepaling vóór de invoering van de Brede herwaardering). Er is geen aanknopingspunt om een uitzondering op de werking van artikel 25, vierde lid, te maken voor kapitaalverzekeringen gesloten bij de eigen BV.
De eerbiedigende werking van artikel 76 Wet IB behoeft niet verloren te gaan. Voorwaarde is dat het verzekerde kapitaal ter zake van de omzetting niet wordt verhoogd. Zie de behandeling in de Special Infobulletin van mei 1994.
Hoe dient de overgangsregeling met herstelmogelijkheid – de paragraaf ‘Overgangsaspecten’ – te worden opgevat met betrekking tot een kapitaalverzekering die is gesloten vóór 1 januari 1992 en die niet voldoet aan het kans-op-nadeel-vereiste? Het kan toch niet de bedoeling zijn dat op dit punt kan worden aangepast? De twee slotzinnen van de genoemde paragraaf lijken dit wel te suggereren.
Het betreft in deze een formeel vereiste; op dit punt is aanpassing in beginsel niet mogelijk. De overeenkomst kan derhalve niet meer in overeenstemming worden gebracht met de criteria van het fiscale begrip levensverzekering zoals dat gold vóór de invoering van de Brede herwaardering.
Wel zou de overeenkomst kunnen voldoen aan de criteria van het begrip levensverzekering zoals die zijn gesteld op grond van de Brede herwaardering. De Verzekeringskamer heeft met betrekking tot dit begrip gesteld dat alle overeenkomsten gesloten vóór 1 juli 1993, zonder meer geacht worden te voldoen. In het Besluit van 22 juli 1993, nr. DB93/3244M (nr. 1.52.26), BNB 1993/286, is bepaald dat de fiscaliteit zich bij deze vorm van eerbiedigende werking aansluit als het gaat om overeenkomsten met professionele verzekeraars.
In het Besluit van 10 augustus 1995, nr. DB 95/3186M, Infobulletin 1995/722, is dit standpunt ook ingenomen voor kapitaalverzekeringen gesloten bij de eigen BV voor zover die overeenkomen met die welke vóór 1 juli 1993 werden gesloten bij professionele verzekeraars. Indien dit laatste niet het geval is dient de kapitaalverzekering bij de eigen BV te voldoen aan de door de Verzekeringskamer met ingang van 1 juli 1993 gestelde eisen aan het begrip levensverzekering. Aangezien dit standpunt evenwel bij de betrokkenen niet bekend kon zijn, bieden de twee genoemde slotzinnen van de paragraaf ‘Overgangsaspecten’ de mogelijkheid tot aanpassing.
Kan een kapitaalverzekering gesloten in 1991 met een looptijd van 12 jaren, die niet voldoet aan het kans-op-nadeel-vereiste doch wel aan de voorwaarden van het nieuwe regime, verlengd worden naar 15 of 20 jaren?
Voor het voldoen aan de criteria van het nieuwe regime zij verwezen naar het antwoord op vraag H.2. Voor het overige geldt dat verlenging van een kapitaalverzekering fiscaal geruisloos kan plaatsvinden, mits de overeenkomst met inachtneming van de verlenging voldoet aan eventuele criteria die ter zake door de Verzekeringskamer worden gesteld in verband met het begrip levensverzekering. Het gevolg van het vorenstaande is overigens dat het regime met ingang van 1 januari 1992 in de inkomstenbelasting voor kapitaalverzekeringen integraal op de onderhavige kapitaalverzekering van toepassing is.
Artikel H
Overgangsaspecten
Onderdeel van Vragen en antwoorden over kapitaalverzekeringen afgesloten met de eigen BV· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 9 juli 1998