**1.** Indien een onbemand mobiel object wordt gesignaleerd, dan wordt op basis van de op dat moment beschikbare informatie onverwijld een inschatting gemaakt van het gevaarzettende of ongeoorloofde karakter van de (dreigende) aanwezigheid van het onbemande mobiele object en van de aard en ernst van de dreiging of het gevaar voor de orde en veiligheid in en rondom de inrichting. De eventuele inzet van een apparaat, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, onder 7° vindt vervolgens pas plaats indien er geen andere, minder ingrijpende toereikende middelen zijn om de dreiging te stoppen.
**2.** De inzet van een apparaat bedoeld in artikel 1, onderdeel f, onder 7°, vergt een afgewogen beslissing van de ambtenaar. De ambtenaar neemt bij zijn beslissing in elk geval het volgende in acht:
Bij de inzet van een apparaat bedoeld in artikel 1, onderdeel f, onder 7° wordt gekozen voor het minst ingrijpende toereikende middel, dat voorts in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel, te weten het bewaren van de orde en veiligheid in en rondom de inrichting, dan wel mogelijke bedreigingen daarvan te bestrijden;
Bij de inzet van een apparaat bedoeld in artikel 1, onderdeel f, onder 7°, wordt tevens een inschatting gemaakt van mogelijk letsel bij personen of de schade aan zaken die als voorzienbaar gevolg kunnen optreden door de inzet van het gekozen middel. De ingeschatte gevolgen moeten in redelijke verhouding staan tot het beoogde doel, te weten het bewaren van de orde en veiligheid ten aanzien van de inrichting, dan wel mogelijke bedreigingen daarvan te bestrijden;
De eventuele instructies die door het bevoegde gezag zijn verschaft, worden bij de inzet van een apparaat bedoeld in artikel 1, onderdeel f, onder 7°, in acht genomen.