Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Het gewijzigde artikel 5 RWN

Onderdeel van Adoptie en verkrijging Nederlanderschap· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 15 maart 1999

Nederlander wordt het kind dat in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba bij rechterlijke uitspraak wordt geadopteerd, indien de adoptief-vader of adoptief-moeder op de dag dat die uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen Nederlander is en het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was. Nederlander wordt ook het kind dat in het buitenland bij uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit wordt geadopteerd in overeenstemming met het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan: de adoptie is in overeenstemming met het voornoemde verdrag tot stand gekomen, en die adoptie heeft tot gevolg dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, en de adoptief-vader of adoptief-moeder is Nederlander op de dag dat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, en het kind was op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig. Nederlander wordt voorts het kind dat in het buitenland in overeenstemming met het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie is geadopteerd bij een adoptie die niet tot gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, welke adoptie in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba bij rechterlijke uitspraak in overeenstemming met artikel 27 van voornoemd verdrag wordt omgezet in een adoptie naar Nederlands, Nederlands-Antilliaans of Arubaans recht, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan: de adoptie is in overeenstemming met het voornoemde verdrag tot stand gekomen; en de adoptief-vader of adoptief-moeder is Nederlander op de dag nadat twee maanden sinds de uitspraak houdende omzetting in eerste aanleg of hoger beroep zijn verstreken zonder dat daartegen hoger beroep of cassatie is ingesteld, dan wel, indien beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie; en het kind was op de dag van de uitspraak houdende omzetting in eerste aanleg minderjarig. Het kind van degene die door adoptie het Nederlanderschap verkrijgt deelt in die verkrijging. Bij Rijkswet van 14 mei 1998, Stb. 303, welke wet in werking is getreden op 1 oktober 1998, is artikel 5 van de RWN gewijzigd. In dit artikel wordt de verkrijging van het Nederlanderschap door adoptie geregeld. Deze wijziging heeft plaatsgevonden in verband met de uitvoering van het op 29 mei 1993 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie. Dit verdrag is eveneens op 1 oktober 1998 in werking getreden. Het Verdrag voorziet in de erkenning van rechtswege van adopties die conform het verdrag tot stand zijn gekomen in alle verdragsstaten (zie bijlage 1). Het verdrag verplicht Nederland dus om een in een andere verdragsstaat, in overeenstemming met het verdrag tot stand gekomen adoptie te erkennen. De wijziging van de Rijkswet houdt daarmee verband.

Rechtspraak bij dit artikel