Ongeveer 2/3 van de te behalen scorepunten zal worden toegekend aan de traditionele meerkeuzevragen enmeerkeuze-invulvragen. Ongeveer1/3 aan de andere vraagvormen.
Daarnaast zijn er ook opdrachten waarbij de kandidaten informatie moeten herordenen of in schema’s invullen. Dit zijn in zoverre open vragen dat er geen sprake is van een vraag bestaande uit een stam met3 of meer alternatieven ( de traditionele meerkeuzevraag). Het is vaak een kwestie van kruisjes zetten, namen of getallen invullen.
Er zijn zowel inhoudelijke (eindtermen) als toetstechnische overwegingen voor het kiezen voor bepaalde vraagvormen. Daarnaast zijn er ook pedagogisch-didactische overwegingen: gezien de invloed van de examenvorm op het voorafgaande onderwijs is een brede variatie aan vraag- en opdrachtvormen onontbeerlijk. Hieronder bespreken we de verschillende vraagvormen en geven daarbij aan voor welke eindtermen ze geschikt zijn. Ook worden enkele toetstechnische aspecten besproken.
Onder open vragen worden in ieder geval de volgende vraagtypen gerekend:
De kort-antwoordvragen:
enkele woorden of hooguit een enkelvoudige zin.
De lang-antwoordvragen:
het antwoord bestaat uit enkele zinnen.
De aanvulvraag:
een gegeven zin moet compleet worden gemaakt.
De citeervraag
De kort-antwoordvraag is geschikt voor de eindtermen1, 2, 3 en 4. Allerlei soorten teksten zijn hierbij mogelijk.
Artikel 5
Verhouding tussen vraag-vormen
Onderdeel van Invoering open vragen moderne vreemde talen bij de centrale examens vbo, havo en vwo· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 7 juli 1999