Het normeringsvoorschrift bestaat uit twee onderdelen:
de hoofdrelatie:
de formule die, voor de overgrote meerderheid der kandidaten, het berekeningsvoorschrift geeft voor het omzetten van score naar cijfer;
vier grensrelaties:
vier formules die voorkomen dat kandidaten met zeer lage of zeer hoge scores een cijfer zouden krijgen dat in strijd is met bovengenoemde vier uitgangspunten.
De hoofdrelatie geeft aldus het examencijfer als functie van de score:
C = 9,0* (S/L) + N .......................................... 1)(
waarin:
C = het cijfer voor het centraal examen.
S = de score, dat wil zeggen de zuivere aan de kandidaat toegekende score.
L = de lengte van de scoreschaal, zoals vastgelegd in het correctievoorschrift;
N = de normeringsterm, liggend tussen de waarden:
N = 0,0 en N = 2,0 , vast te stellen door het CEVO-bestuur middels een normeringsbeslissing.
Zijn zowel L als N bekend, dan leidt invullen van de score S direct tot het examencijfer C.
Stel voor de lengte van de scoreschaal is gekozen voor L = 90 punten; dan gaat formule (1) over in:
C =9,0 * (S/90) + N .
Voordat hiermee uit score S examencijfer C kan worden berekend, moet het bestuur van de CEVO eerst een waarde voor normeringsterm N hebben vastgesteld.
Stel dat wordt: N =1,0 ; dan krijgt formule (1) zijn definitieve vorm:
C =9,0 * (S/90) + 1,0 .
Deze is gevisualiseerd in Fig.1:
Concreet: drie kandidaten met scores van resp.0%, 50% en 100% – wat bij deze scoreschaallengte van90 punten correspondeert met scores van0, 45 en 90 punten – zouden achtereenvolgens de examencijfers: 1,0, 5,5 en 10,0 krijgen. Als was gekozen voor een andere schaallengte, bijvoorbeeld L =68, dan zou formule (1), (even nog bij dezelfde normeringsterm N =1,0) overgaan in:
C =9,0 * (S/68) + 1,0 .
Nu zouden genoemde drie kandidaten voor dezelfde examencijfers (1,0, 5,5 en 10,0 ) respectievelijk de scores 0, 34 en 68 nodig hebben!
Deze zijn nodig om de boven gegeven vier uitgangspunten óók te kunnen eerbiedigen als de normeringsterm N groter of kleiner is dan1,0 .
Bij een waarde voor de normeringsterm van N =1,3 , zouden de drie kandidaten met scores0%, 50% en 100% resp. de cijfers1,3 , 5,8 en 10,3 moeten krijgen;daarvan is echter het eerste cijfer guller dan de bedoeling en is het derde cijfer hoger dan het toegestane maximum.
Iets dergelijks treedt op bij een normeringsterm lager dan 1,0 , bijvoorbeeld: N =0,7. Genoemde drie kandidaten zouden in dat geval de examencijfers0,7 , 5,2 en 9,7 krijgen, waarvan het eerste cijfer uitkomt onder het toegestane minimum en derde cijfer lager is dan de verdiende 10,0 !
Deze problematiek is in beeld gebracht in Fig.2:
Deze ’singulariteiten’ worden verholpen door middel een systeem van zogeheten grenscijfers, die berekend worden met behulp van de hieronder te introduceren viergrensrelaties. Deze beogen het volgende te garanderen:
Wat de waarde van normeringsterm N ook moge zijn, a priori staat vast dat:
gerekend vanaf de minimumscore (0%), er voor elk gescoord punt tenminste0,05 en ten hoogste 0,20 cijferpunt bij het examencijfer bijkomt;
gerekend vanaf de maximumscore (100%), er voor elk niet gescoord punt tenminste 0,05 en ten hoogste 0,20 cijferpunt van het examencijfer afgaat.
Het principe van grenscijfers is gevisualiseerd in Fig.3. Bij voorbaat zullen alle score-cijfer combinaties liggen binnen een gebied van toegestane waarden begrensd door de vier lijnen in deze figuur.
De grenscijfers zijn de cijfers die met deze vier lijnstukken zelf corresponderen.
Samen vormen deze vier lijnstukken een ’venster’ waarbinnen alle toegestane cijfers moeten liggen. Dreigt bij toepassing van de hoofdrelatie – formule (1) – een cijfer buiten deze grenzen te vallen, dan moet dat cijfer vervangen worden door het cijfer berekend met de corresponderende grensrelatie, het grenscijfer. Wat informeler gezegd: cijfers die buiten het ’venster’ dreigen te vallen, komen op het ’kozijn’ terecht.
De grensrelaties worden gevormd door de volgende vier formules:
bij N >1,0: C ≤1,0 + S/5,0......................................2(a)
en C ≤10,0 – (L-S)/20,02............................................................................(b)
bij N <1,0: C ≥1,0 + S/20,0.....................................3(a)
en C ≥10,0 – (L-S)/5,0..............................................................................3(b)
Bij een waarde voor de normeringsterm van N =1,0 hoeft het systeem van grenscijfers niet in werking te treden en resulteert een normeringsvoorschrift dat grafisch wordt gerepresenteerd door de rechte lijn van Fig.1, de lijn die in Fig. 4 is gelabeld met: ’N=1,0’.
Bij alle andere waarden van N worden de grenscijfers wel van belang. In Fig.4 zijn als voorbeelden de twee uiterste gevallen in beeld gebracht, die resp. corresponderen met de normeringsbeslissingen N =2,0 en N = 0,0 . Deze leveren als normeringsvoorschrift de twee dubbel-geknikte lijnen op (gelabeld met ’N=2,0’ en ’N=0,0’).
Bij de omzetting van het huidige systeem van de moderne vreemde talen in dit systeem zal blijken dat N volgens de huidige praktijk meestal een waarde tussen0 en 1 heeft, en bij de andere vakken een waarde van1 of iets hoger. In de toekomst zullen voor alle examens alle waarden van N tussen0 en 2 mogelijk zijn.
Ter illustratie berekenen we het corrigerend effect dat het systeem van grenscijfers zou hebben op de situatie van een centraal examen dat een schaallengte heeft van L = 90 en door de CEVO is genormeerd op N =0,6 : Zonder toepassen van de grensrelaties zouden, voor kandidaten met zeer hoge scores, de cijfers resulteren van de tweede kolom in Tabel1.
De grensrelaties corrigeren dit (en met name de onbillijkheid dat score 90 (=100%) slechts tot het cijfer 9,6 zou leiden!) tot de cijfers in de derde kolom.
Score
( max.: L = 90)
Cijfer
vlgs. formule
Cijfer
gecorrigeerd
…
…
…
84
9.0
9,0
85
9,1
9,1
86
9,2
9,2
87
9,3
9,4
88
9,4
9,6
89
9,5
9,8
90
9,6
10,0
Artikel 3
Het normeringsvoorschrift
Onderdeel van Normering en schaallengte bij de centrale examens vbo, mavo, havo en vwo met ingang van het jaar 2000· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 7 juli 1999