Ter versterking van de positie van huurders is een nieuwe procedure bij de huurcommissie ontwikkeld die erin voorziet dat de huurder op elk moment van het jaar de huurcommissie kan verzoeken uitspraak te doen over de redelijke in rekening te brengen huurprijs. Dit kan echter pas nadat de verhuurder na een aanzegging daartoe kennelijk niet bereid is om het gemelde en de bewoonbaarheid (zeer) ernstig schadende gebrek aan of in de gehuurde woonruimte op te heffen. Het verzoekschrift kan niet eerder worden ingediend dan 6 weken nadat de huurder bedoelde aanzegging naar zijn verhuurder heeft verzonden. Vanaf dat tijdstip heeft de huurder een termijn van 12 maanden om dat verzoekschrift bij de huurcommissie in te dienen.
Indien ook de huurcommissie bij de behandeling van het verzoekschrift van de huurder van oordeel is dat de woning een ernstig gebrek vertoont dan kan de huurcommissie een redelijke in rekening te brengen lagere huurprijs uitspreken. Bij gebreken die thans absolute nulpunten worden genoemd zal een verlaging van de in rekening te brengen huurprijs plaats kunnen vinden tot ten laagste 25 procent van de maximale huurprijsgrens. Bij gebreken die thans nog als relatieve nulpunten worden aangemerkt zal een ondergrens van 40 procent van bedoelde huurprijsgrens gaan gelden en voor de overige gebreken die thans alleen nog kunnen leiden tot huurbevriezing kan een verlaging plaatsvinden tot ten laagste 55 procent van bedoelde grens.
Naast de bestaande twee lijsten met bedoelde nulpunten komt een nieuwe lijst met voorbeelden van overige ernstig de bewoonbaarheid schadende gebreken waarvoor de ondergrens van 55 procent gaat gelden. Een afschrift van de uitspraak waarin de huurcommissie uitspreekt dat ook zij van oordeel is dat de woonruimte een ernstig de bewoonbaarheid schadend gebrek (of meer) vertoont wordt niet alleen naar partijen, maar onder meer ook naar de gemeente gezonden. De gemeenten kunnen immers op grond van de Woningwet de verhuurder vervolgens aanschrijven om bepaalde voorzieningen te treffen.
Met de invoering van de onderhoudsprocedure komt de zogenoemde inhaalregeling van achtergebleven huurverhogingen al dan niet in combinatie met het ongedaan maken van een huurverlaging, en wel op grond van een of meer door de huurcommissie geconstateerde gebreken, te vervallen.
Met invoering van deze onderhoudsprocedure vervalt na een overgangsperiode, die sluit voor huurverhogingsvoorstellen met een ingangsdatum na 1 juli 2000, ook de mogelijkheid voor de huurder om op grond van gebreken bezwaar te maken tegen een voorstel tot huurverhoging. Reeds op 30 november 1999 vervalt eveneens de mogelijkheid voor huurders om op grond van een nulpunt een huurverlaging voor te stellen op basis van de thans geldende procedure van artikel 23 van de Hpw.
Artikel 1
Onderhoudsprocedure
Onderdeel van Wijziging Huurprijzenwet woonruimte (onderhoud, vergoeding aan de Staat en toezicht)· Wonen, onroerend goed, bouwrecht
Deze tekst geldt sinds 26 november 1999