**1.** De bevoegdheid tot het uitvaardigen van een strafbeschikking als bedoeld in artikel 59, eerste lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht, kan slechts worden uitgeoefend in zaken die betrekking hebben op een strafbaar feit omschreven in:
artikel 141, eerste lid, 142, 266, 267, 300, eerste lid, 310, 311, eerste lid, aanhef en onder 4° en 5°, 321, 350, 424 en 426 van het Wetboek van Strafrecht van het Europese deel van Nederland;
artikel 169 en 170 van het Wetboek van Militair Strafrecht.
**2.** Indien het strafbare feit is begaan in deelneming met een of meer personen op wie uitsluitend het Wetboek van Strafrecht van het Europese deel van Nederland van toepassing is, oefent de bevelvoerende militair zijn bevoegdheid slechts uit na verkregen toestemming van de officier van justitie bij het in artikel 55, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie genoemde gerecht.
**3.** In de strafbeschikking worden enkel een geldboete of een verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer opgelegd. De strafbeschikking kan in totaal ten hoogste een betalingsverplichting van € 2.000 inhouden.
**4.** De strafbeschikking vermeldt, in aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 257a, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering van het Europees deel van Nederland, de naam en rang van de bevelvoerende militair die de strafbeschikking uitvaardigt.
Artikel III van Stb. 2016/470 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Hoofdstuk I › § 4
Artikel 5
Artikel 5
Onderdeel van Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2017