Artikel 3.9 is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor ho-studenten, met dien verstande dat:
voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000 per 1 januari 2026: € 20.750,30;
voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004 per 1 januari 2026: € 26.289,28; en
voor het bruto kortingsbedrag op jaarbasis, bedoeld in artikel 3.9, derde lid, een percentage wordt gelezen van 13,6% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.3
Artikel 3.9a
Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage hoger onderwijs
Onderdeel van Wet studiefinanciering 2000· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026