De contante waarde wordt berekend op basis van de formule:
òf, indien de factor L gelijk is aan de factor r:
A = 1,02 * (UV * (1-c) * m + (UL - UV) * (1 - cL) * mL)
waarbij:
A = de contante waarde;
m = het aantal maanden waarover de uitkering maximaal zal kunnen worden verstrekt;
mL = het aantal maanden waarover de loondervingsuitkering maximaal zal kunnen worden verstrekt;
c = een correctie op de periode waarover de uitkering wordt verstrekt, op grond van de kans op overlijden en op grond van zogenoemde individuele omstandigheden;
cL = een correctie op de periode waarover de loondervingsuitkering wordt verstrekt, op grond van de kans op overlijden en op grond van zogenoemde individuele omstandigheden;
UV = het bedrag van de vervolguitkering per maand en de daarover aan de verzekerde toekomende vakantie-uitkering met dien verstand dat bij de bepaling van de contante waarde van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 6 van de WAO, deze factor op 0 wordt gesteld;
UL = het bedrag van de loondervingsuitkering per maand en de daarover aan de verzekerde toekomende vakantie-uitkering;
L = het gemiddeld stijgingspercentage van het dagloon, bedoeld in artikel 14 van de WAO of artikel 13 van de Wet WIA, over een periode van een maand;
r = het interestpercentage per maand.
Artikel 3
Berekening contante waarde
Onderdeel van Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 29 december 2005