Voor een vergunning tot verblijf komt in aanmerking de in Nederland verblijvende vreemdeling die de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 15, aanhef en onder c, RWN heeft verloren, indien
hij na dat verlies Nederland is ingereisd in het bezit van een Nederlands paspoort, dat is afgegeven toen betrokkene nog in het bezit was van het Nederlanderschap,
hij in het bezit is van een geldig vreemd paspoort, en
geen gevaar vormt voor de openbare orde, openbare rust of nationale veiligheid.
De vergunning tot verblijf wordt verleend zonder beperking. Het verrichten van arbeid is vrij toegestaan. Een tewerkstellingsvergunning is niet vereist.
Aan de vergunning tot verblijf worden de volgende voorschriften verbonden:
het afsluiten van een voldoende ziektekostenverzekering (A4/6.12.1.4);
indien vereist: het ondergaan van een tuberculose-onderzoek (A4/6.12.2).
De bevoegdheid tot het verlenen dan wel weigeren van de vergunning wordt krachtens mandaat namens de Staatssecretaris van Justitie uitsluitend uitgeoefend door de directeur van de Regionale Directie Zuid West van de IND.
De Korpschef is bevoegd tot verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning.
Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN wordt het hierbedoelde verblijfsrecht aangemerkt als niet-tijdelijk van aard. Gedurende de geldigheidsduur van de vergunning bestaan mitsdien geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd en de houder van deze vergunning komt in aanmerking voor naturalisatie, indien ook aan de overige voorwaarden voor naturalisatie wordt voldaan.
De vergunning wordt verleend voor een periode van maximaal een jaar en kan worden verlengd met telkenmale maximaal een jaar tot uiterlijk twee jaar na de datum waarop de voorgestelde Rijkswetswijziging in werking is getreden.
Voor een tijdelijke vergunning tot verblijf komt in aanmerking de persoon ten aanzien van wie in de GBA verlies van de Nederlandse nationaliteit is aangetekend, indien
hij zijn hoofdverblijf in Nederland heeft behouden,
hij geen gevaar vormt voor de openbare orde, openbare rust of nationale veiligheid,
deze persoon op grond van artikel 17 RWN een verzoek heeft ingediend om vaststelling van de Nederlandse nationaliteit,
op het verzoek ex artikel 17 RWN nog niet is beslist, en
door de directeur van de regionale directie Zuid West van de Immigratie- Naturalisatiedienst, namens de Staatssecretaris van Justitie, in kennis is gesteld dat hij hangende de beslissing op het verzoek om vaststelling van het Nederlanderschap niet als vreemdeling uit Nederland zal worden verwijderd.
Indien het onder b. genoemde openbare orde vereiste wordt tegengeworpen, wordt betrokkene niet uitgezet, zolang op de procedure ex artikel 17 RWN niet is beslist.
De vergunning wordt verleend onder de beperking 'in afwachting verzoek art. 17 RWN. Het verrichten van arbeid is toegestaan. Een tewerkstellingvergunning is niet vereist'.
Aan de vergunning tot verblijf worden de volgende voorschriften verbonden:
het afsluiten van een voldoende ziektekostenverzekering (A4/6.12.1.4);
indien vereist: het ondergaan van een tuberculose-onderzoek (A4/6.12.2).
Het verblijfsrecht is van tijdelijke aard. Ten aanzien van deze verblijfsgerechtigde bestaan bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. De houder van deze vergunning komt mitsdien niet in aanmerking voor naturalisatie.
De bevoegdheid tot het verlenen en weigeren van de vergunning wordt krachtens mandaat namens de Staatssecretaris van Justitie uitsluitend uitgeoefend door de directeur van de Regionale Directie Zuid West van de IND.
De geldigheidsduur van de vergunning kan worden verlengd met maximaal een jaar of zoveel korter als de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage uitspraak zal doen op het verzoek om vaststelling van het Nederlanderschap. Voor de beslissing op de aanvraag om verlenging dient de korpschef steeds een bijzondere aanwijzing te vragen bij de unit Naturalisatie en Nationaliteiten van de Regionale Directie Zuid West van de IND, opdat voorkomen wordt dat de geldigheidsduur verder verlengd wordt tot een datum na de uitspraak.
Indien tegen de beschikking van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage beroep in cassatie wordt ingesteld, zal per geval worden bekeken of
betrokkene zijn hoofdverblijf in Nederland heeft behouden,
namens de Staatssecretaris van Justitie beslist kan worden dat deze persoon hangende de beslissing op het cassatieberoep niet als vreemdeling uit Nederland zal worden verwijderd, voordat de verblijfsvergunning onder de bovengenoemde beperking wordt verlengd. De geldigheidsduur van de vergunning kan worden verlengd met maximaal een jaar of zoveel korter als de Hoge Raad uitspraak zal doen.
Artikel 3
Verblijfsregeling
Onderdeel van Vreemdelingencirculaire Nederlanderschap in relatie tot verblijfsrecht· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 9 augustus 2000