Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Afdeling 5 › Paragraaf 1

Artikel 3.106

Artikel 3.106

Onderdeel van Vreemdelingenbesluit 2000· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 12 juni 2026

1. De verblijfsvergunning asiel die op grond van de artikelen 29c, eerste lid, of 29d, eerste lid, is verleend aan een gezinslid van een vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29, eerste lid, of 29a, eerste lid, wordt niet ingetrokken op grond van artikel 32, vijfde lid, onderdeel d, van de Wet, indien het huwelijks- of gezinsleven met de hoofdpersoon is verbroken door het overlijden van de hoofdpersoon dan wel omdat het gezinslid slachtoffer is geworden of dreigt te worden van eergerelateerd geweld of huiselijk geweld. 2. De verblijfsvergunning asiel die op grond van de artikelen 29c, eerste lid, of 29d, eerste lid, is verleend aan een op het tijdstip van verlening minderjarig gezinslid van een vreemdeling als bedoeld in de artikelen 29, eerste lid, of 29a, eerste lid, van de Wet, wordt niet ingetrokken op grond van artikel 32, vijfde lid, onderdeel d, van de Wet, indien het desbetreffende gezinslid langer dan een jaar houder is geweest van de verblijfsvergunning.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel