Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 13

Uitkering na afschatting

Onderdeel van Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 11 februari 2011

1. De betrokkene, die recht heeft op een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer dan wel een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, of ingevolge hoofdstuk 6 of 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, heeft recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% waardoor recht ontstaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Indien de in de eerste volzin bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen wordt het recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is in de zin van dit besluit, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen. 2. Ter bepaling van de duur van de bovenwettelijke uitkering krachtens artikel 2 wordt uitgegaan van de datum van het ontslag, bedoeld in het eerste lid. 3. De hoogte van de bovenwettelijke uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van het ontslag, bedoeld in het eerste lid. Abusievelijk is voor het eerste lid, eerste volzin, en voor het eerste lid, tweede volzin, een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel