Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1 › § 2

Artikel 4

Toetsvermogen

Onderdeel van Wet bevordering eigenwoningbezit· Wonen, onroerend goed, bouwrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2021

1. Het toetsvermogen, bedoeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, is het gezamenlijk vermogen van degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner in het peiljaar. 2. Onder vermogen wordt verstaan: de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat die grondslag wordt bepaald zonder rekening te houden met de vrijstelling groene beleggingen, bedoeld in artikel 5.13 van die wet. 3. De inspecteur, onder wie de eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteert voor de heffing van de inkomstenbelasting, verstrekt op verzoek van Onze Minister over het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin die eigenaar-bewoner de eigenwoningbijdrage heeft aangevraagd, het vermogen, bedoeld in het tweede lid, van de desbetreffende eigenaar-bewoner of degene die tot diens huishouden behoort, aan Onze Minister. Dit artikel zoals het artikel luidde op 1 januari van een berekeningsjaar of peiljaar dat is aangevangen vóór 1 januari 2021, blijft van toepassing op dat berekeningsjaar of peiljaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel