Naar hoofdinhoud

Artikel B

Brutering van de overhevelingstoeslag

Onderdeel van Wijziging financiële arbeidsvoorwaarden sector Rijk per 1 januari 2001· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2001

In mijn eerdergenoemde circulaire van 20 oktober 2000 zijn de wijzigingen opgenomen voortvloeiend uit de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk. In die circulaire vindt u onder punt I.4. de hoofdlijn van de inpassing van de overhevelingstoeslag (OHT). Hierna nogmaals op hoofdlijnen deze afspraken en de uitwerking voor de nabetalingen over 2000 die in 2001 worden uitbetaald. In verband met de afschaffing van de overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 worden de salarissen van het personeel van de sector Rijk krachtens de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen met ingang van genoemde datum verhoogd met 1,9%, met een maximum van f 1745 per jaar. In het SOR is afgesproken deze wijziging als een structurele salarisverhoging te beschouwen. In verband hiermee worden de salarissen verhoogd met 1,9%, met een maximum van f 134,27 per maand. Vervolgens worden de salarissen structureel verhoogd met de in de overeenkomst afgesproken 0,5%. Toelagen die zijn toegekend met toepassing van het BBRA 1984 en toelagen die krachtens een BBRA-overgangsregeling nog van toepassing zijn, dienen in het algemeen in verband met de algemene salarisverhoging te worden verhoogd met ingang van 1 januari 2001. Veelal vindt dit automatisch plaats, bijvoorbeeld voor toelagen die zijn uitgedrukt in een percentage van het salaris van de ambtenaar of die overeenkomen met één of meer periodieke salarisverhogingen in de salarisreeks. Hiervoor kan onder meer worden gedacht aan de toelage onregelmatige dienst (artikel 17, tweede lid, BBRA 1984). Indien zo'n automatische aanpassing niet plaatsvindt, dient - behalve in gevallen als hierna bedoeld - met ingang van 1 januari 2001 een verhoging te worden toegepast van 2,41%. Dit geldt bijvoorbeeld voor de vaste toelage onregelmatige dienst (artikel 17, vierde lid, BBRA 1984). Ten slotte zijn er toelagen die geen aanpassing behoren te ondergaan, bijvoorbeeld op grond van hun aard of op grond van de desbetreffende toekenningsbeschikking. Deze toelagen blijven dus ongewijzigd. De herziening van bijzondere regelingen die zijn getroffen met toepassing van artikel 26 BBRA 1984, dient van geval tot geval te worden beoordeeld, zo nodig in overleg met de afdeling Arbeidsvoorwaarden van mijn ministerie. Indien tot bijstelling wordt overgegaan, dient een afschrift daarvan ter informatie te worden gezonden aan genoemde afdeling. Door verwerking van de OHT in het bruto salaris zal de verhoging automatisch doorwerken in vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en in de op het salaris gebaseerde toelagen en vergoedingen (waaronder overwerk), alsmede naar wachtgeld e.d. Niet aan het salaris gerelateerde toelagen en dergelijke worden gebruteerd met 1,9%, zonder rekening te houden met het maximum (zie hiervoor). Omdat de verwerking van de OHT nog niet doorwerkt naar de pensioenen wordt de premiegrondslag voor de berekening van de pensioenpremie verlaagd met genoemde brutering. Nabetalingen over het jaar 2000 die in 2001 tot betaling komen, zijn gebaseerd op de salarisbedragen 2000 en worden daardoor niet automatisch gebruteerd. Teneinde dit te ondervangen is de volgende oplossing gekozen: De in 2001 uit te betalen vakantie-uitkering over 2000 (juni tot en met december) wordt verhoogd met 1,9%, zonder dat rekening wordt gehouden met het maximum. Deze correctie vindt plaats op de aanspraak vakantieuitkering op de salarisstrook over januari 2001. De in 2001 uit te betalen vergoedingen voor overwerk, onregelmatige dienst en dergelijke over de periode uit 2000, worden berekend op basis van het salaris van de periode waarin het recht is ontstaan in 2000. Het resultaat wordt verhoogd met 1,9%. De technische verwerking - zoals hiervoor omschreven - is door IVOP uiteengezet in twee circulaires van 14 november 2000 (AI2000/2459 en van 4 december 2000 (AI2000/2696).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel