De periode bedoeld in artikel 3.38 van de wet wordt gesteld op vijf jaar, aanvangende met het begin van het kalenderjaar waarin de verplichtingen zijn aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 1
Artikel 9
Artikel 9
Onderdeel van Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2001