**1.** Onze Minister zendt binnen zes jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
**2.** In afwijking van het eerste lid vindt de evaluatie van de uitzonderingen, genoemd in artikel X, eerste lid, plaats zes jaar na de in artikel X, tweede lid, genoemde datum.
**3.** Een ieder verstrekt aan Onze Minister of aan een bij ministeriële regeling aangewezen instelling desgevraagd alle inlichtingen die nodig zijn in verband met het onderzoek naar de doeltreffendheid en de effecten van deze wet en de op de artikelen 2b, vijfde lid, 2c, tweede lid, en 32, negende lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet en artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen berustende bepalingen.
Artikel I, onderdeel A, onderdeel B, artikel 2b, derde lid, en
artikel 2c, onderdeel J, artikel 32, zevende lid, onderdeel M,
artikel 32ba, eerste lid, onderdelen d en e, treden niet in
werking voor zover het betreft pensioen dat wordt berekend of
mede wordt berekend op grond van een geldelijke bijdrage of
voorzover het betreft voorzieningen als bedoeld in het tweede
lid. Artikel I, onderdeel B, artikel 2b, derde lid, en artikel
2c, onderdeel J, artikel 32, zevende lid, en onderdeel M,
artikel 32ba, eerste lid, onderdelen d en e treden in werking op
1 januari 2005 voor zover het betreft de voorzieningen zoals
omschreven in Stb. 2001/608, enig artikel, lid 2.
Artikel VIII
Artikel VIII
Onderdeel van Wijzigingswet Pensioen- en spaarfondsenwet (recht van keuze voor ouderdomspensioen i.p.v. nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen)· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2002