De Huisvestingswet en de Woningwet (waarop het BBSH is gebaseerd) gaan in beginsel uit van vrije vestiging van burgers in alle gemeenten. Alleen in gespannen woningmarkten mag gebruik worden gemaakt van een gemeentelijke verordening voor het verdelen van schaarse woonruimte aan een beperkte doelgroep (= huursubsidiegerechtigden), teneinde verdringingseffecten te voorkomen.
Momenteel heeft circa 25 % van alle gemeenten zo'n verordening vastgesteld. Het betreft vooral gemeenten in stedelijke agglomeraties. Plattelandsgemeenten hebben vrijwel nooit zo'n verordening. Als men daar een distributiesysteem voor huurwoningen nodig acht, wordt dat geregeld via overeenkomsten met verhuurders. Dit besluit geldt ook hiervoor.
De verordening, dan wel de overeenkomsten met verhuurders, bevorderen dat iedere woningzoekende gelijke slagingskansen heeft bij het vinden van een bij zijn persoonlijke omstandigheden passende woonruimte.
Het college van burgemeester en wethouders is ingevolge artikel 3, derde lid, van de Huisvestingswet verplicht een besluit tot vaststelling of wijziging van een huisvestingsverordening aan gedeputeerde staten te zenden, met een afschrift aan de ter plaatse bevoegde inspecteur van de volkshuisvesting. De inspecteur zal er op toezien dat er niet onnodig veel woonruimte onder het distributiesysteem wordt gebracht, zulks om te voorkomen dat de keuzevrijheid van niet tot de doelgroep behorende huishoudens wordt aangetast. Het gaat - ook in gespannen woningmarkten - om het creëren van gelijke slagingskansen voor iedereen.
Artikel 2
Context van het besluit
Onderdeel van Wijziging Besluit beheer sociale huursector en het Huisvestingsbesluit· Wonen, onroerend goed, bouwrecht
Deze tekst geldt sinds 19 februari 2001