Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Maatregelen in verband met de overgang naar de nieuwe structuur per 1 maart 2001

Onderdeel van Verbeteringen beloning schoolleiding per 1 maart 2001· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 2001

Als gevolg van de uitwerking van de CAO-afspraak om de toelagen voor de schoolleiding op te nemen in de reguliere salarisschalen, komen de afzonderlijke toelagen voor de schoolleiding (thans geregeld in artikel I-Q209b van het Rpbo) met ingang van 1 maart 2001 te vervallen. Met ingang van 1 maart 2001 krijgen directeuren van basisscholen waarvan Y gelijk is aan of groter is dan 400 leerlingen recht op bezoldiging volgens het carrièrepatroon behorende bij salarisschaal DC. Directeuren die op 28 februari werkzaam zijn aan een basisschool waarvan Y gelijk is aan of groter is dan 400 en die op dat moment worden bezoldigd volgens het hoogste bedrag in salarisschaal 11, ontvangen een extra periodieke verhoging indien zij met ingang van 1 maart 2001 overgaan naar het carrièrepatroon behorende bij salarisschaal DC . Deze extra verhoging is verwerkt in de conversietabellen in bijlage 2. Om op een eenduidige wijze te kunnen vaststellen welke nieuwe salarisschaal op een functie van toepassing is, wordt bij de conversie eenmalig afgeweken van de ’wachtjarensystematiek’ van artikel I-Q106 van het Rpbo. Uitsluitend het aantal leerlingen dat op de teldatum 1 oktober 1999 stond ingeschreven is bepalend voor de salarisschaal die met ingang van 1 maart bij een directiefunctie behoort. In voorkomende gevallen wordt het salaris eerst met behulp van de conversietabellen in bijlage 2 omgezet naar een salarisbedrag per 1 maart 2001. Vervolgens vindt inpassing plaats in de salarisschaal die op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober 1999 op de functie van toepassing is. Op personeelsleden die op of na 1 maart 2001 in dienst treden blijft wachtjarensystematiek van artikel I-Q106 normaal van toepassing. Het vaststellen van de salarisschaal die van toepassing is op een niet-normfunctie behoort tot de taken en verantwoordelijkheden van het bevoegd gezag. Omdat de huidige salarisstructuur van hoofdstuk I-Q met ingang van 1 maart 2001 zal worden ingetrokken wordt er met nadruk op gewezen dat bevoegde gezagsorganen vóór 1 maart dienen te beslissen welke nieuwe salarisschaal per 1 maart van toepassing is op niet-norm functies die zijn ingedeeld in dat hoofdstuk. Zonder een uitdrukkelijke beslissing van het bevoegd gezag kan, als gevolg van het vervallen van het oude systeem, officieel vanaf 1 maart immers geen bezoldiging van betrokkenen meer plaatsvinden. In verband met het late uitkomen van de publicatie kan de beslissing ook na 1 maart 2001 worden genomen. De beslissing werkt in dat geval altijd terug tot en met 1 maart 2001. Bovenstaande maatregelen kunnen tot gevolg hebben dat directieleden worden ingepast in een salarisschaal die hoger is dan de overeenkomstige maximumschaal in de huidige salarisstructuur terwijl bij de formatietoekenning is uitgegaan van die lagere huidige maximumschaal. Om te voorkomen dat de bevoegde gezagsorganen als gevolg daarvan meer formatierekeneenheden moeten verbruiken mogen zij het fre-verbruik van die functie tot 1 augustus 2001 handhaven op het niveau van 28 februari 2001. Als gevolg van de herziening van de fre-tabel per 1 augustus 2001 is de toekenning van de fre’s per die datum weer in overeenstemming met het daadwerkelijke verbruik.

Rechtspraak bij dit artikel