Naar hoofdinhoud

Artikel C4

Afdoeningsgronden

Onderdeel van Vreemdelingencirculaire 2000 (C)· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 12 juni 2026

De IND neemt op grond van artikel 30 Vw, een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling als een andere lidstaat op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen. Voor de toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt verder verwezen naar paragraaf C2/3 Vc. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Een aanvraag kan niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 30a Vw in de gevallen als bedoeld in artikel 38, eerste lid, Procedureverordening. Deze gevallen worden hieronder verder uitgewerkt. Dit betreft een nadere uitwerking van paragraaf C1/3.2.3 Vc ‘Ontvankelijkheidsprocedure’. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. In artikel 58 Procedureverordening staat het begrip ‘eerste land van asiel’ uitgewerkt. Een land dat geen onderdeel is van de Europese Unie, Europese Economische Ruimte of Zwitserland wordt beschouwd als een eerste land van asiel voor de vreemdeling, indien de vreemdeling daar (doeltreffende) bescherming heeft genoten en nog steeds op die bescherming een beroep kan doen. Bij de vraag of voor de individuele vreemdeling een derde land als eerste land van asiel moet worden beschouwd, zijn ook de verklaringen van de vreemdeling van belang. Aan de hand van dat relaas en informatie over de situatie in het ‘eerste land van asiel’ wordt beoordeeld of aan de voorwaarden van artikel 58, eerste lid, Procedureverordening is voldaan. Als de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van elementen die rechtvaardigen dat het derde land in zijn geval niet als eerste land van asiel kan worden beschouwd in de zin van artikel 58 Procedureverordening, zal de IND de vreemdeling niet tegenwerpen dat hem in het betreffende derde land reeds bescherming is verleend. In dat geval beoordeelt de IND overeenkomstig hoofdstuk C3 Vc of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. De elementen die de vreemdeling in het kader van een individuele beoordeling kan verstrekken, dienen in verband te staan met de in het eerste lid van artikel 58 Procedureverordening genoemde voorwaarden. Het begrip ‘eerste land van asiel’ mag niet worden toegepast op verzoekers die als gezinslid van een onderdaan van een derde land of van een burger van de Unie een verzoek indienen en die in de lidstaat die het verzoek behandelt, aanspraak kunnen maken op de rechten die zijn vastgelegd in de Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG) of Richtlijn 2004/38/EG. Artikel 58, eerste lid, Procedureverordening beschrijft wanneer een derde land als eerste land van asiel kan worden beschouwd. De mogelijkheid van (weder)toelating wordt daarbij niet als voorwaarde genoemd. Als echter op voorhand duidelijk is dat de vreemdeling niet tot dat land zal worden toegelaten, kan de aanvraag niet niet-ontvankelijk worden verklaard. Aangezien de vreemdeling eerder in het derde land bescherming heeft genoten, zal dat niet snel worden aangenomen. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat niet opnieuw zal worden toegelaten. Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij zich daadwerkelijk inspant om deze toegang te krijgen. Een derde land kan voor een niet-begeleide minderjarige slechts als een eerste land van asiel worden beschouwd als aan de voorwaarden is voldaan van artikel 58, derde lid, Procedureverordening. Bij de vaststelling of een derde land voor een niet-begeleide minderjarige beschouwd moet worden als veilig derde land van asiel, beoordeelt de IND of dit in strijd is met zijn of haar belang. Daarbij houdt de IND rekening met de in artikel 26 Verordening (EU) 2024/1346 genoemde factoren. Daarbij wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van duurzame passende zorg en opvang. Voor zover in het eerste land van asiel gezins- of familieleden woonachtig zijn, zal het daadwerkelijk samenbrengen van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling met zijn gezins- of familieleden alleen plaatsvinden indien dit in het belang van de minderjarige vreemdeling is. Uitgangspunt hierbij is dat als uitgangspunt geldt dat het in het belang van de minderjarige vreemdeling is om herenigd te worden met zijn gezins- of familieleden. De IND verstaat onder de voorwaarde vooraf de verzekering hebben ontvangen van het betrokken derde land, het volgende. De IND neemt aan dat de niet-begeleide minderjarige zal worden overgenomen door het bedoelde eerste land van asiel indien de autoriteiten van het eerste land van asiel binnen een door de IND vastgestelde redelijke termijn bevestigen dat zij de niet-begeleide minderjarige overnemen. De IND neemt aan dat de niet-begeleide minderjarige vreemdeling onmiddellijk zal genieten van doeltreffende bescherming indien de autoriteiten van het eerste land van asiel dit bevestigen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. In artikel 59 Procedureverordening staat wat wordt verstaan onder het begrip ‘veilig derde land’ en wanneer dit begrip mag worden toegepast. Bij de vraag of een veilig derde land voor de individuele vreemdeling als veilig moet worden beschouwd, vormt het relaas van de vreemdeling het uitgangspunt. De IND beoordeelt of het derde land in het individuele geval van de vreemdeling als veilig derde land kan gelden op grond van de voorwaarden van artikel 59, eerste lid, Procedureverordening: het leven en de vrijheid van onderdanen van derde landen niet worden bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging; onderdanen van derde landen geen reëel risico lopen op ernstige schade als gedefinieerd in artikel 15 Kwalificatieverordening; onderdanen van derde landen worden beschermd tegen refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève en tegen verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of straffen, zoals neergelegd in het internationaal recht; de mogelijkheid bestaat om doeltreffende bescherming aan te vragen en, indien de voorwaarden vervuld zijn, te krijgen. Als de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van elementen die rechtvaardigen dat het derde land in zijn geval niet als veilig derde land kan worden beschouwd in de zin van artikel 59 Procedureverordening, zal de IND het begrip veilig derde land niet toepassen. In dat geval beoordeelt de IND overeenkomstig hoofdstuk C3 Vc of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. De IND neemt in ieder geval aan dat een derde land niet als veilig kan worden aangemerkt wanneer voor dat land een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw van toepassing is. De IND neemt ook aan dat een derde land niet als veilig kan worden aangemerkt als er aldaar sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, waarin de mate van willekeurig geweld van dien aard is dat de enkele aanwezigheid in het land al zorgt voor een reëel risico op ernstige schade. Uit artikel 59, vijfde lid, aanhef en onder b, Procedureverordening volgt dat het begrip ‘veilig derde land’ in drie situaties mag worden toegepast: als er een band bestaat tussen de vreemdeling en het derde land; als sprake is van een land van doorreis; of als sprake is van een overeenkomst of regeling met het betreffende derde land op grond waarvan verzoeken om doeltreffende bescherming door dat derde land moeten worden onderzocht. De IND onderzoekt of de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land dat het van de vreemdeling redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij naar dat land gaat. De IND neemt in de volgende gevallen in ieder geval aan dat de vreemdeling een band heeft met een derde land: de echtgenoot of partner van de vreemdeling heeft de nationaliteit van dat land; gezinsleden van de verzoeker bevinden zich in dat derde land; de vreemdeling heeft eerder in dat land verbleven; of de vreemdeling taal-, culturele of soortgelijke banden heeft met dat derde land. Doorreis door een derde land kan de volgende situaties omvatten: de vreemdeling heeft door het grondgebied van een derde land gereisd; de vreemdeling heeft zich aan de grens of in een transitzone van een derde land bevonden, waarbij de vreemdeling de mogelijkheid heeft gehad om bij de autoriteiten van het betrokken derde land om doeltreffende bescherming te verzoeken. Als een vreemdeling door het grondgebied van een derde land is gereisd, voordat hij de Europese Unie is binnengekomen, kan het concept veilig derde land worden toegepast, aangezien in dat geval redelijkerwijs kan worden verondersteld dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt, om doeltreffende bescherming had kunnen verzoeken in een veilig derde land van doorreis. Zowel de Unie als lidstaten kunnen overeenkomsten of regelingen sluiten met derde landen, op grond waarvan het derde land zich heeft verplicht verzoeken om te onderzoeken of de vreemdeling aanspraak maakt op doeltreffende bescherming. Deze mogelijkheid geldt niet voor niet-begeleide minderjarigen. Artikel 59, eerste, vierde en vijfde lid, Procedureverordening beschrijft wanneer een derde land als veilig derde land kan worden beschouwd. Als op voorhand duidelijk is dat de vreemdeling niet tot dat land zal worden toegelaten, kan de aanvraag niet niet-ontvankelijk worden verklaard. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat hij in weerwil van door hem verrichte inspanningen om toelating te verkrijgen niet (opnieuw) zal worden toegelaten. Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij zich daadwerkelijk inspant om deze toegang te krijgen. Een derde land kan voor een niet-begeleide minderjarige slechts als een veilig derde land worden beschouwd als aan de voorwaarden is voldaan van artikel 59, zesde lid, Procedureverordening. Een land kan niet als veilig derde land worden aangemerkt enkel omdat er een overeenkomst of regeling met het derde land is gesloten. Bij de vaststelling of een derde land voor een niet-begeleide minderjarige beschouwd moet worden als eerste land van asiel, beoordeelt de IND of dit in strijd is met zijn of haar belang. Daarbij wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van duurzame passende zorg en opvang. Voor zover in het eerste land van asiel gezins- of familieleden woonachtig zijn, zal het daadwerkelijk samenbrengen van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling met zijn gezins- of familieleden alleen plaatsvinden indien dit in het belang van de minderjarige vreemdeling is. Uitgangspunt hierbij is dat het in het belang van de minderjarige vreemdeling is om herenigd te worden met zijn gezins- of familieleden. De IND neemt aan dat de niet-begeleide minderjarige zal worden overgenomen door het bedoelde veilig derde land indien de autoriteiten van het veilig derde land binnen een redelijke termijn bevestigen dat zij de niet-begeleide minderjarige overnemen. De IND neemt aan dat de niet-begeleide minderjarige vreemdeling onmiddellijk zal genieten van doeltreffende bescherming indien de autoriteiten van het veilig derde land dit bevestigen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Het feit dat een andere lidstaat reeds internationale bescherming heeft verleend, vormt op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder c, Procedureverordening in de regel een reden om een aanvraag van dezelfde vreemdeling als niet-ontvankelijk af te wijzen. De bescherming van de vreemdeling in een andere lidstaat kan in ieder geval blijken uit: Een verblijfsdocument; Eurodac; Informatie van de betreffende lidstaat waaruit volgt dat de vreemdeling bescherming geniet, dan wel (opnieuw) in aanmerking komt voor bescherming; of Verklaringen van de vreemdeling waaruit volgt dat hij in een andere EU-lidstaat bescherming geniet. Wanneer het verblijfsdocument van de vreemdeling verlopen is, wil dat niet zeggen dat de vreemdeling geen bescherming meer geniet in de betreffende EU-lidstaat. Het Eurodac-systeem wordt geraadpleegd tenminste twee maanden voordat een beslissing wordt genomen op een asielaanvraag. Als daaruit volgt dat internationale bescherming is verleend, dan mag daarvan worden uitgegaan. Wanneer uit dat systeem niet blijkt dat de status is ingetrokken, dan is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij in de andere lidstaat toch geen internationale bescherming meer heeft. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder d, Procedureverordening kan een aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als een internationaal strafgerecht heeft gezorgd voor veilige herplaatsing van de vreemdeling naar een lidstaat of een derde land of ondubbelzinnig maatregelen neemt in die zin, tenzij nieuwe relevante omstandigheden zijn ontstaan waarmee het strafhof of tribunaal geen rekening heeft gehouden of er geen juridische mogelijkheid bestond om omstandigheden die relevant zijn voor internationaal erkende mensenrechtennormen aan te voeren voor dat internationale strafgerecht. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder e, Procedureverordening kan een aanvraag worden afgewezen als niet-ontvankelijk als de vreemdeling asiel aanvraagt pas zeven dagen of later na ontvangst van een terugkeerbesluit. Het gaat in ieder geval om de situatie dat de vreemdeling: in het kader van het opleggen van een terugkeerbesluit erop is gewezen dat indien hij meent bij terugkeer iets te vrezen te hebben een asielwens kenbaar dient te maken binnen een periode van zeven werkdagen vanaf de datum van ontvangst van het terugkeerbesluit en hij hiervan geen gebruik heeft gemaakt; hij op de hoogte is gebracht van de gevolgen van het niet doen van een aanvraag binnen die termijn; en er sinds het verstrijken van de termijn van zeven werkdagen geen nieuwe relevante elementen naar voren zijn gekomen. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Een aanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a Vw in de gevallen zoals bedoeld in artikel 38, tweede lid, Procedureverordening. Het moet gaan om een volgende aanvraag waarbij geen nieuwe relevante elementen, in de zin van artikel 55, derde en vijfde lid, Procedureverordening naar voren zijn gebracht die de kans op asiel aanzienlijk groter maken. De wijze waarop de IND onderzoekt of de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard is neergelegd in paragraaf C2/5 Vc. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De beoordeling of een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel gegrond of ongegrond is, vindt plaats aan de hand van artikelen 29, 29a, 29b, 29c, 29d en 31 Vw. Daarin wordt uiteengezet aan welke voorwaarden moet worden voldaan om voor inwilliging van de aanvraag in aanmerking te kunnen komen en wanneer de aanvraag ongegrond is. De omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat een aanvraag kennelijk ongegrond is, zijn beschreven in artikel 30b Vw en worden hieronder behandeld in paragraaf C4/3.1 t/m C4/3.10 Vc. Eerst nadat de IND heeft beoordeeld of een aanvraag ongegrond is, beoordeelt de IND of de aanvraag tevens als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen. Een aanvraag kan, zoals beschreven in artikel 39, vierde lid, Procedureverordening, kennelijk ongegrond worden verklaard. In artikel 42, eerste en derde lid, Procedureverordening staat beschreven in welke gevallen dit mogelijk is en in welke gevallen de versnelde behandelingsprocedure kan worden toegepast. Deze gevallen worden hieronder verder uitgewerkt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Onder aangelegenheden die niet ter zake doen verstaat de IND alle aangelegenheden die geen betrekking hebben op de voor de beoordeling van de asielaanvraagrelevante informatie. Deze aangelegenheden raken niet aan vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Onder kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen verstaat de IND: het verstrekken van kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen; het verstrekken van kennelijk valse verklaringen; het verstrekken van duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen; of het verstrekken van verklaringen die strijdig zijn met relevante en beschikbare informatie over het land van herkomst dat voldoende geverifieerd kan worden. Het gaat om duidelijke vormen van ongeloofwaardigheid, waarvan in redelijkheid kan worden aangenomen dat hierover geen twijfel bestaat en waardoor de verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen. De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige v betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Onder misleiden wordt verstaan: de vreemdeling probeert in een gunstiger positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden. Hij probeert als het ware de autoriteiten op het verkeerde been te zetten, om op die manier in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling moet in de gelegenheid zijn gesteld een geldige reden aan te voeren om de misleiding niet aan hem tegen te werpen. Van misleiden is in ieder geval sprake indien: de vreemdeling valse of onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of reisroute of andere elementen die relevant zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag; de vreemdeling valse of vervalste identiteits-, reis- of nationaliteitsdocumenten heeft overgelegd en stelt dat deze echt zijn; er duidelijke gronden zijn dat de vreemdeling relevante informatie of documenten heeft achtergehouden dan wel zich te slechter trouw heeft ontdaan van deze documenten, zoals bijvoorbeeld een identiteitsdocument, reisdocumenten met uitreisstempels of inreisvisum; een andere identiteit of nationaliteit uit de systemen naar voren komt dan opgegeven bij de IND; er aanwijzingen zijn dat sprake is van vingermutilatie; of een taalanalyse uitwijst dat de vreemdeling niet uit te herleiden is tot de spraakgemeenschap uit de gestelde herkomstplaats. Bij ‘identiteitsdocumenten’ moet het gaan om documenten die specifiek te herleiden zijn tot de betreffende vreemdeling, hetzij door middel van een pasfoto, hetzij door middel van biometrische gegevens. De vreemdeling moet in de gelegenheid zijn gesteld een geldige reden aan te voeren om de misleiding niet aan hem tegen te werpen. Ad c. ‘Te slechter trouw’ betekent dat de vreemdeling bewust en opzettelijk informatie heeft achtergehouden of vernietigd, met als doel daardoor in een gunstiger positie te komen. ‘Duidelijke gronden’ betekent dat de IND dit bedrog niet hoeft aan te tonen of bewijzen, maar dat er sprake moet zijn van een ‘aannemelijkheid’ dat de vreemdeling te slechter trouw heeft gehandeld. Die aannemelijkheid kan zien op twee onderdelen: er zijn aanwijzingen dat de vreemdeling een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of zich daarvan ontdaan; en er zijn duidelijke gronden dat de vreemdeling dat te slechter trouw heeft gedaan. Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van dwang, dan is er geen sprake van te slechter trouw handelen. De IND verklaart niet zonder meer een aanvraag kennelijk ongegrond wanneer identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten (toerekenbaar) ontbreken. Er moet sprake zijn van een zekere mate van bewust en opzettelijk handelen. In de volgende gevallen is wel sprake van het toerekenbaar ontbreken van documenten, maar niet zonder meer van ‘misleiden’ door documenten achter te houden, dan wel staat niet zonder meer vast dat dit te slechter trouw gebeurde: als de vreemdeling documenten in Nederland of in enig ander land waar hij veilig was verliest, zonder dat daarbij sprake is van een zekere opzettelijkheid; of als de vreemdeling verklaart dat de documenten zijn afgegeven aan de reisagent, zonder dat daarbij sprake is van een zekere opzettelijkheid. De verklaringen van de vreemdeling omtrent het verlies dan wel de omstandigheden waaronder hij de documenten heeft afgegeven dienen geloofwaardig te zijn. De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Bij de beoordeling of sprake is van het vertragen, verhinderen of het voorkomen van een beslissing tot de verwijdering of uitzetting of overdracht van de vreemdeling betrekt de IND het moment waarop de vreemdeling zijn asielwens kenbaar maakt. Situaties waarbij dit van toepassing kan zijn, zijn bijvoorbeeld: een vreemdeling die eerst na een langere periode van illegaal verblijf hier in Nederland een asielaanvraag indient op het moment dat hij wordt geconfronteerd met handelingen die gericht zijn op de verwijdering of uitzetting, bijvoorbeeld een voorgenomen inbewaringstelling; of het (zeer) kort voor een geplande verwijdering of uitzetting indienen van een asielaanvraag, zeker indien de onderbouwing van de asielaanvraag afwezig of evident ontoereikend is. Bij de beoordeling of sprake is van een aanvraag die louter is ingediend teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, worden alle omstandigheden van het geval betrokken, waaronder met name: de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent; de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt; of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat; de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b van de Wet; de onderbouwing van de aanvraag. De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. In deze paragraaf zijn beleidsregels opgenomen die een uitwerking zijn van de volgende artikelen: artikel 30b Vw; Artikel 61–64 Procedureverordening De IND kan een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kennelijk ongegrond verklaren op grond van artikel 30b Vw, indien een derde land kan worden beschouwd als een veilig land van herkomst voor de vreemdeling. Een derde land kan alleen op grond van artikel 61 Procedureverordening als zodanig worden aangewezen. Het aanwijzen van een land als veilig land van herkomst kan op het niveau van: de EU (artikel 62 Procedureverordening, zie ook bijlage II); of nationaal niveau (artikel 64 Procedureverordening) indien deze nationaalrechtelijk is vastgesteld. De lijst met veilige landen van herkomst die op het niveau van de Unie is vastgesteld zijn neergelegd in bijlage II bij Verordening 2026/464 tot wijziging van Verordening 2024/1348. In artikel 61, derde lid, Procedureverordening is opgenomen op basis van welke bronnen een derde land kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. De Unie of de Minister moet overeenkomstig artikel 61, vierde lid Procedureverordening de mate waarin bescherming in zijn algemeenheid wordt geboden tegen vervolging en ernstige schade vaststellen. Bij de aanwijzing op zowel het niveau van de Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig land van herkomst kunnen uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke delen van zijn grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen. Uitzonderingen op het niveau van de Unie moeten ook door de Unie worden vastgesteld en kan niet op nationaal niveau plaatsvinden. Het begrip veilig land van herkomst mag worden toegepast indien; de vreemdeling de nationaliteit van dat land heeft of staatloos is en voorheen in dat land zijn of haar gewone verblijfplaats had; de vreemdeling niet tot een categorie personen behoort waarvoor een uitzondering is gemaakt bij de aanwijzing van het derde land als veilig land van herkomst; de vreemdeling in het kader van een individuele beoordeling geen elementen kan verstrekken die rechtvaardigen dat het begrip veilig land van herkomst niet op hem of haar van toepassing is (artikel 61, vijfde lid, aanhef en onder c, Procedureverordening); In bovenstaande gevallen beoordeelt de IND op de gebruikelijke wijze of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. De IND onderzoekt het gevaar voor de openbare orde in gevallen waarin 1F aspecten spelen aan de hand van het specifieke beoordelingskader van artikel 1F Vluchtelingenverdrag (paragraaf C4/3.6.9 Vc). De IND beoordeelt of er sprake is van concrete aanwijzingen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid (paragraaf C4/3.6.8 Vc). De IND kan de asielaanvraag van de vreemdeling kennelijk ongegrond verklaren als de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. Ook kan de IND de asielaanvraag van de vreemdeling kennelijk ongegrond verklaren als de vreemdeling onder dwang is uitgezet uit Nederland om ernstige redenen van openbare orde. Dit volgt uit artikel 30b, eerste lid, Vw, en de artikelen 39, vierde lid en 42, eerste lid, aanhef en onder f, Procedureverordening. De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening). Volgens de Procedureverordening kan het begrip ‘openbare orde’ onder meer (dus niet beperkt tot) een veroordeling wegens een ernstig misdrijf bestrijken. De toepassing van het begrip openbare orde wordt, in lijn met de Kwalificatieverordening en de Procedureverordening, hieronder verder uitgewerkt in paragraaf C4/3.6.2 tot en met C4/3.6.6 Vc. De IND onderzoekt per verleningsgrond of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde: de IND beoordeelt of er sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf als de vreemdeling in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw (paragraaf C4/3.6.3 Vc); de IND beoordeelt of er sprake is van een ernstig misdrijf als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt een reëel risico te lopen als bedoeld in artikel 29a, Vw (paragraaf C4/3.6.4 Vc); de IND beoordeelt ten aanzien van de aanspraken op artikel 29b (meereizend gezinslid), artikel 29c en artikel 29d (nareizend gezinslid), Vw niet of er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf (paragraaf C4/3.6.5 Vc); als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 28 Vw jo artikel 29 of artikel 29a Vw en de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde, beoordeelt de IND of de aanvraag kennelijk ongegrond kan worden verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Bij alle categorieën genoemd in paragraaf C4/3.6.1 Vc gelden de volgende algemene uitgangspunten bij de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND beoordeelt of de vreemdeling in aanmerking komt voor een vluchtelingstatus, subsidiairebeschermingsstatus, een afgeleide status op basis van meereis of nareis, of niet in aanmerking komt voor een status. Deze status is bepalend voor de vraag aan welke voorwaarden moet worden voldaan om de status niet te verlenen in het geval sprake is van openbare orde aspecten. Afhankelijk van de status beoordeelt de IND of sprake is van een bijzonder ernstig of ernstig misdrijf en/of een gevaar voor de gemeenschap. Dit gebeurt op individuele basis, aan de hand van alle relevante feitelijke en juridische gegevens. Dit houdt in dat de IND alle strafrechtelijke veroordelingen, verdenkingen en gepleegde misdrijven meeweegt in de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Ook veroordelingen die in het verleden volgens het jeugdstrafrecht zijn opgelegd worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde. De IND betrekt daarbij in ieder geval de door de vreemdeling aangevoerde bijzondere feiten en omstandigheden, die zien op de aard en de ernst van het delict en het tijdsverloop dat is verstreken sinds het delict. Hierbij wegen de individuele omstandigheden zwaar mee, waaronder de vraag hoe groot het aandeel is van de vreemdeling in het gepleegde delict waardoor hij een gevaar voor de gemeenschap vormt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND hanteert bij de beoordeling van het tijdsverloop de verjaringstermijnen zoals opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc. De IND past in de volgende gevallen de verjaringstermijnen uit paragraaf B1/4.4 Vc niet toe: een veroordeling voor een misdrijf tegen het leven gericht; het bij herhaling veroordeeld zijn voor misdrijven; of ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Er is sprake van het bij herhaling veroordeeld zijn als: er meer dan een straf is opgelegd; of er een straf is opgelegd voor een aantal bewezenverklaarde strafbare feiten (voeging). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND betrekt de strafbare feiten die de vreemdeling in het buitenland heeft gepleegd ook bij de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De IND beoordeelt welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, als die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en/of bestraft. De bewijslast voor het onderbouwen van de gepleegde misdrijven in het buitenland ligt in de eerste plaats bij de vreemdeling. Afhankelijk van de bewijsmiddelen die de vreemdeling overlegt, beoordeelt de IND dit als volgt: Als de vreemdeling vonnis of vergelijkbare stukken overlegt, vraagt de IND een strafmaatvergelijking op bij het OM. Op basis van deze strafmaatvergelijking betrekt de IND de in het buitenland gepleegde strafbare feiten bij de openbare orde toets. Als de vreemdeling een schuldbekentenis en een transactieaanbod overlegt, is het mogelijk voor de IND om een verkorte strafmaatvergelijking op te vragen bij het OM. Op basis van deze strafmaatvergelijking betrekt de IND de in het buitenland gepleegde strafbare feiten bij de openbare orde toets. Als er geen stukken zijn overgelegd, kan de IND geen strafmaatvergelijking bij het OM aanvragen. Als het voor de IND echter voldoende duidelijk is dat het gaat om een misdrijf naar Nederlands recht en waarbij de strafmaat vergelijkbaar is met de strafmaat die in Nederland zou zijn opgelegd wanneer het feit in Nederland zou zijn gepleegd, dan kan de IND deze veroordeling zonder strafmaatvergelijking door het OM bij de beoordeling betrekken. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND kan één of meerdere veroordelingen in het kader van het jeugdstrafrecht betrekken bij de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Ook in het geval de minderjarige vreemdeling opnieuw voor een misdrijf of meerdere misdrijven (recidive) wordt veroordeeld, heeft de IND als uitgangspunt alle strafrechtelijke veroordelingen mee te wegen in de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde, zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6.2.1 Vc. Hierbij wegen het karakter van het jeugdstrafrecht en de individuele omstandigheden mee. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw als de vreemdeling definitief (ofwel: onherroepelijk) is veroordeeld voor minstens één misdrijf dat op zichzelf een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ is én de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap’, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, jo eerste lid, aanhef en e Kwalificatieverordening. De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt dan kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw omdat er redelijke gronden bestaan aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. ‘Bijzonder ernstige misdrijven’ zijn misdrijven die de rechtsorde van de gemeenschap het meeste aantasten. Bij de beoordeling van het ‘bijzonder ernstig misdrijf’ dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de volgende punten: de aard van het misdrijf; de maximale straf voor het misdrijf en de feitelijk opgelegde straf; de aard en omvang van de schade; de omstandigheden rond het plegen van het misdrijf (opzettelijkheid); de aanwezigheid van verzachtende of verzwarende omstandigheden; en de aard van de strafprocedure; Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND beoordeelt het gevaar dat de vreemdeling voor de gemeenschap vormt aan de hand van de situatie zoals die zich voordoet bij het beoordelen van de aanvraag (‘ex nunc’-beoordeling). De IND weegt bij de beoordeling van het ‘gevaar voor de gemeenschap’ dat de vreemdeling vormt in ieder geval de volgende aspecten mee: de aard van het misdrijf; en de opgelegde straf. De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen aannemen dat het misdrijf naar zijn aard een ‘gevaar voor de gemeenschap’ vormt: opium-, zeden-, gewelds- en levensdelicten; brandstichting; mensenhandel; illegale handel in wapens, munitie en explosieven; illegale handel in menselijke organen en weefsels. Deze lijst is niet limitatief. De vreemdeling vormt ook een gevaar voor de gemeenschap indien hij in het buitenland handelingen heeft verricht die de publieke rechtsorde ernstig schokten en die naar Nederlands recht als zware misdrijven worden aangemerkt. De IND beoordeelt aan de hand van het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ of een vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap. Dit betekent dat de IND beoordeelt of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de gemeenschap vormt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Indien de IND beoordeelt dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, omdat de vreemdeling definitief veroordeeld is voor een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ en een gevaar vormt voor de gemeenschap, verleent de IND geen vluchtelingstatus, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, jo eerste lid, aanhef en onder e Kwalificatieverordening. In die gevallen voert de IND geen evenredigheidstoetsing uit in verband met de vrees voor vervolging. Als de vreemdeling geen vluchtelingstatus wordt verleend vanwege de openbare orde-aspecten, waardoor de asielaanvraag wordt afgewezen, kan hij, mits hij in Nederland is, gebruik maken van de rechten zoals genoemd in artikel 14, derde lid, Kwalificatieverordening. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc. Hierin staan ook bepalingen opgenomen ten aanzien van artikel 8 EVRM. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc. Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt, betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw in de volgende twee gevallen: als de vreemdeling een ‘ernstig misdrijf’ heeft gepleegd voorafgaand aan zijn aankomst in Nederland of voor een ‘ernstig misdrijf’ is veroordeeld na zijn aankomst in Nederland, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid onder b, Kwalificatieverordening. Zie hiervoor paragraaf C4/3.6.4.1 Vc als de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder d, Kwalificatieverordening. Zie hiervoor paragraaf C4/3.6.4.2 Vc. De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt dan kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw omdat er redelijke gronden bestaan aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Of er redelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap wordt beoordeeld aan de hand van het Unierechtelijk openbare orde-criterium. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Indien de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd voorafgaand aan zijn aankomst in Nederland, dan is een veroordeling niet noodzakelijk. Indien de vreemdeling na zijn aankomst in Nederland een ernstig misdrijf heeft gepleegd, dan is een veroordeling wel noodzakelijk. Deze hoeft niet definitief (ofwel: onherroepelijk) te zijn. Bij de beoordeling of sprake is een ‘ernstig misdrijf’ houdt de IND in ieder geval rekening met de volgende punten: de aard van het gepleegde feit; de schade die is teweeggebracht; de gevolgde strafprocedure; de aard van de straf; of de meeste rechterlijke instanties het gepleegde feit aanmerken als een ernstig misdrijf. Als het misdrijf naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert, zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6.4.2 Vc, is dit een sterke indicatie dat er sprake is van een ‘ernstig misdrijf’. Indien de vreemdeling minderjarig is, houdt de IND, conform artikel 17, vijfde lid, Procedureverordening, bij de beoordeling of er sprake is van uitsluiting van de subsidiairebeschermingsstatus onder andere rekening met de vraag of de vreemdeling strafrechtelijk aansprakelijk had kunnen worden gesteld indien hij het misdrijf, op deze leeftijd, in Nederland zou hebben gepleegd en of hij daarvoor zou worden veroordeeld. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Bij de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap is het niet noodzakelijk dat een vreemdeling in het verleden een ernstig misdrijf heeft gepleegd of daarvoor is veroordeeld. De IND beoordeelt het gevaar dat de vreemdeling voor de gemeenschap vormt aan de hand van de situatie zoals die zich voordoet bij het beoordelen van de aanvraag (‘ex nunc’-beoordeling). De IND weegt bij de beoordeling van het ‘gevaar voor de gemeenschap’ dat de vreemdeling vormt in ieder geval de volgende aspecten mee: de aard van het misdrijf; en de opgelegde straf. De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen aannemen dat het misdrijf naar zijn aard een ‘gevaar voor de gemeenschap’ vormt: opium-, zeden-, gewelds- en levensdelicten; brandstichting; mensenhandel; illegale handel in wapens, munitie en explosieven; illegale handel in menselijke organen en weefsels. Deze lijst is niet limitatief. De IND beoordeelt aan de hand van het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ of een vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap. Dit betekent dat de IND beoordeelt of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de gemeenschap vormt. De vreemdeling vormt ook een gevaar voor de gemeenschap indien hij in het buitenland handelingen heeft verricht die de publieke rechtsorde ernstig schokten en die naar Nederlands recht als zware misdrijven worden aangemerkt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Indien de IND beoordeelt dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, sluit de IND de vreemdeling uit van de subsidiairebescherminggstatus, zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, Kwalificatieverordening, zonder een evenredigheidstoetsing in verband met de vrees voor ernstige schade uit te voeren. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc. Hierin staan ook bepalingen opgenomen ten aanzien van artikel 8 EVRM. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc. Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29b Vw wordt door de IND niet verleend, als dat noodzakelijk om redenen van openbare orde, overeenkomstig artikel 23, vijfde lid, Kwalificatieverordening. De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor meereizende gezinsleden wordt dan kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw, gebaseerd op artikel 42, eerste lid, onder f, of artikel 42, derde lid, onder b, Procedureverordening, wanneer dit conform artikel 23, vijfde lid, Kwalificatieverordening noodzakelijk is om redenen van openbare orde. Hiervoor wordt aangesloten bij paragraaf 3.6.7 Vc. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als de IND de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw weigert omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, dan toetst de IND of dit noodzakelijk is. Het strafbare feit waarvoor de vreemdeling is veroordeeld moet zo ernstig zijn of van dien aard dat het noodzakelijk is om het verblijf van die vreemdeling uit te sluiten. Hierbij houdt de IND rekening met alle individuele omstandigheden conform artikel 8 EVRM, zoals: de band met Nederland; de band met het land van herkomst; een eventueel bestaand terugkeerbeletsel; en het belang van de Nederlandse Staat. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc. Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het Unierechtelijk openbare orde-criterium ook in dit kader. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND kan de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of 29d Vw weigeren op grond van de openbare orde overeenkomstig het in paragraaf C5 Vc opgenomen wettelijke kader. De IND beoordeelt de aanvraag in dat geval aan de hand van artikel 3.77 Vb artikel 3.78 Vb, en paragraaf B1/4.4 Vc. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als de IND de asielaanvraag op grond van artikel 29c, eerste lid of artikel 29d, eerste lid, Vw, afwijst omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, toetst de IND aan het evenredigheidsbeginsel. De Kwalificatieverordening is niet van toepassing op deze vergunningen. In het kader van de evenredigheidstoets beoordeelt de IND de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de afwijzing. Het strafbare feit waarvoor de vreemdeling is veroordeeld moet zo ernstig zijn of van dien aard dat het noodzakelijk is om het verblijf van die vreemdeling uit te sluiten. Als de IND de asielaanvraag op grond van artikel 29c, eerste lid, Vw, afwijst dan toetst de IND naast het evenredigheidsbeginsel ook aan artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Als de IND de asielaanvraag op grond van artikel 29d, eerste lid, Vw, afwijst dan toetst de IND naast het evenredigheidsbeginsel aan artikel 8 EVRM. Hierbij houdt de IND rekening met alle individuele omstandigheden, waaronder: de band met Nederland; de band met het land van herkomst; een eventueel bestaand terugkeerbeletsel; en het belang van de Nederlandse Staat. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc. Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als de IND de asielaanvraag van de vreemdeling reeds op inhoudelijke gronden (kennelijk) ongegrond kan verklaren en de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde, kan de aanvraag ook kennelijk ongegrond worden afgedaan op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw. De vreemdeling vormt in ieder geval op redelijke gronden een gevaar voor de openbare orde van Nederland als: er sprake is van (minstens) één veroordeling voor een misdrijf of de vreemdeling (minstens) één misdrijf heeft gepleegd; en als er sprake is van een misdrijf die naar zijn aard leidt tot een gevaar voor de gemeenschap. De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen aannemen dat het misdrijf naar zijn aard een ‘gevaar voor de gemeenschap’ vormt: opium-, zeden-, gewelds- en levensdelicten; brandstichting; mensenhandel; illegale handel in wapens, munitie en explosieven; illegale handel in menselijke organen en weefsels. Deze lijst is niet limitatief. De vreemdeling vormt ook op redelijke gronden een gevaar voor de openbare orde als er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf, zoals bedoeld in de voorgaande paragrafen. De IND betrekt de door de vreemdeling aangevoerde feiten of omstandigheden in het oordeel of hij op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde van de lidstaat. Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc. Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc. Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader. Als er redelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van de lidstaat waar de vreemdeling zich bevindt in de zin van artikel 14, eerste lid aanhef en onder d Kwalificatieverordening, dan wel een gevaar vormt voor de nationale veiligheid zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, onder d, Kwalificatieverordening wordt de asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid Vreemdelingwet kennelijk ongegrond verklaard omdat er redelijke gronden bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, jo artikel 42, eerste lid, onder f Procedureverordening. Voor de toepassing van artikel 14 eerste lid, aanhef en onder d, artikel 17 lid 1, onder d, Kwalificatieverordening en artikel 30b, eerste lid, Vw geldt het specifieke toetsingskader voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’ in B1/4.4 Vc. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor meereizende gezinsleden af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw, wanneer dit conform artikel 23, vijfde lid, Kwalificatieverordening noodzakelijk is om redenen van nationale veiligheid. Voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’ geldt het specifieke toetsingskader in B1/4.4 Vc. De IND kan de aanvraag weigeren op grond van gevaar voor de nationale veiligheid overeenkomstig artikel 16, eerste lid onder d, Vw. In beide gevallen geldt het specifieke toetsingskader in B1/4.4 Vc voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’. Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc. Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc. Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader. De IND zal gelet op het bepaalde in artikel 12, vierde lid en 17, eerste en tweede lid Kwalificatieverordening de vluchtelingenstatus en de subsidiairebeschermingsstatus weigeren als artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Als de IND artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing acht, is een strafrechtelijke veroordeling niet noodzakelijk om aan te nemen dat een vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. De toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag volstaat zelfstandig om aan te nemen dat er sprake is van een gevaar voor de openbare orde zoals bedoeld in de artikelen 12 en 17 van de Kwalificatierichtlijn. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND kan ‘misdrijven tegen de vrede’ in ieder geval tegenwerpen aan de hoogste civiele of militaire leidinggevenden in een land. De ernst van een misdrijf wordt bepaald door: de aard van de handeling; en de omvang van de gevolgen van de handeling. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Het door de vreemdeling gepleegde misdrijf wordt beschouwd als een politiek misdrijf, als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: er is een direct verband tussen het door de vreemdeling gepleegde misdrijf en de door hem aangehaalde politieke doelstelling; het door de vreemdeling gepleegde misdrijf is een effectief middel om de door hem aangehaalde politieke doelstelling te realiseren; de vreemdeling staat niet een meer vreedzaam alternatief ter beschikking; en het door de vreemdeling gepleegde misdrijf staat in een redelijke verhouding tot het door hem nagestreefde doel. De volgende misdrijven kunnen een politiek karakter hebben: mishandeling; drugshandel; roofovervallen; brandstichting. Het plegen van een politiek misdrijf vormt geen grond voor het toepasselijk achten van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Een uitzondering hierop is als sprake is van bijzonder wrede handelingen, waarbij de handeling in kwestie niet in verhouding staat tot het beweerde politieke doel, en terroristische daden die worden gekenmerkt door geweld. Deze moeten, ook wanneer zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige niet-politieke misdrijven worden aangemerkt. Dergelijke handelingen en daden kunnen derhalve leiden tot uitsluiting van internationale bescherming. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De volgende misdrijven moeten in ieder geval worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag: moord; doodslag; verkrachting; oorlogsmisdrijven, zoals gedefinieerd in artikel 8, Statuut van Rome, inzake het internationaal Strafhof; misdrijven tegen de menselijkheid, zoals gedefinieerd in artikel 7, Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof; foltering; genocide, zoals gedefinieerd in artikel 6, Statuut van Rome, inzake het internationaal Strafhof; slavernij en slavenhandel; en misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De beoordeling of een misdrijf ‘ernstig’ is in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag, betreft een individuele beoordeling aan de hand van de individuele omstandigheden. De volgende elementen kunnen daarbij van belang zijn: aard van het gepleegde feit/handeling; omvang van de gevolgen c.q. de schade die is teweeggebracht; strafmaat; internationale (rechterlijke) consensus dat het gepleegde feit is aan te merken als ernstig misdrijf; de gevolgde strafprocedure. Het is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden welke elementen – al dan niet in samenhang – relevant zijn en moeten worden betrokken in de beoordeling. Bij geweldsmisdrijven kijkt de IND naar de mate van geweld dat toegepast is (het geweld en/of schade die het gevolg was van de gedraging), de geweldsmethoden die zijn gebruikt en het gebruik van dodelijke wapens. Misdrijven zonder geweldscomponent, zoals economische misdrijven of handel in drugs, kunnen eveneens onder de reikwijdte van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag vallen. Het is niet relevant of het misdrijf is gepleegd in het herkomstland of een land buiten het land van toevlucht. Bij omvang van de schade wordt onder meer meegewogen of sprake is van: een (internationaal) grensoverschrijdend karakter van bepaalde misdrijven; nevencriminaliteit, die gepaard gaat met bepaalde misdrijven (zowel nationaal als internationaal; het plegen van delicten over langere tijd en mogelijk recidive. Bij het wegen van de strafmaat is van belang de maximumstraf die volgens het Nederlandse Wetboek van Strafrecht op het misdrijf is gesteld dan wel – als de vreemdeling al is veroordeeld – de hoogte van de opgelegde straf (na strafmaatvergelijking). Uitsluiting op grond van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag gebeurt echter niet slechts op basis van de strafmaat, maar alleen na onderzoek en beoordeling van alle relevante feiten. De internationale standaard en consensus of een bepaald misdrijf als ‘ernstig’ is aan te merken in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag kan worden afgeleid uit bronnen als: de richtlijnen van UNHCR voor de toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, Handbook UNHCR; internationale verdragen, Europese richtlijnen en verordeningen, resoluties van de VN Veiligheidsraad, resoluties/conclusies of andere uitlatingen van Europese instellingen (bijv. Europese Commissie, Raad van Ministers van de EU); rechtspraak van Europese en internationale gerechtelijke instanties, evenals de wetgeving, uitvoering en rechtspraktijk van (andere) landen. Misdrijven die op grond van vorenstaande doorgaans als ‘ernstig’ kunnen worden aangemerkt zijn (niet-limitatief) moord, verkrachting, brandstichting, het plegen van een gewapende overval, en andere vergrijpen die vergezeld gaan van dodelijke wapens en/of ernstige verwonding van personen. Het gegeven dat een bepaalde praktijk in het land van herkomst of in het land waar de handeling is gepleegd als zodanig niet strafbaar is, sluit niet uit dat deze handeling volgens internationale standaarden wel gekwalificeerd dient te worden als een ernstig, niet-politiek misdrijf. Een aantal aspecten van de strafprocedure (of de uitkomst ervan) kunnen een rol spelen bij het toepassen van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag: Veroordeling: Voor de toepasselijkheid van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag is een veroordeling niet vereist. Als de vreemdeling is veroordeeld, beziet de IND, hoe dit zich verhoudt tot internationale maatstaven (gerelateerd aan de Nederlandse maatstaf). Een strafrechtelijke veroordeling kan wel worden betrokken in de beoordeling, dat aan de bewijsmaatstaf van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (‘ernstige redenen om te veronderstellen’) is voldaan. (Deels) uitgezeten straf: Het (gedeeltelijk) uitgezeten hebben van een straf vormt geen reden om artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag niet (langer) tegen te kunnen werpen. Vrijspraak: De omstandigheid dat de vreemdeling is vrijgesproken voor een misdrijf, maakt niet zonder meer dat artikel 1F, aanhef en onder b van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden tegengeworpen. In dit kader is onder andere van belang of de vrijspraak ziet op dezelfde gedraging(en), die ook aan de beoordeling van artikel 1F Vluchtelingenverdrag ten grondslag liggen of hebben gelegen, of de vrijspraak het gevolg is van een inhoudelijke beoordeling of een procedurele afdoening, en de inhoudelijke redenen van de vrijspraak. Voor toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is van belang dat sprake moet zijn van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in dit artikel. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Bij ‘absolute politieke misdrijven’ kan artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag niet worden toegepast. Absolute politieke misdrijven zijn misdrijven met een politiek karakter, waarbij uit de omschrijving van het misdrijf blijkt dat zij zijn gericht tegen de staat. De volgende misdrijven zijn in ieder geval absolute politieke misdrijven: hoogverraad en het verstoren van verkiezingen; en misdrijven weergegeven in het een der Titels I tot en met IV van het Tweede Boek, Wetboek van Strafrecht. Een uitzondering hierop is als sprake is van bijzonder wrede handelingen, waarbij de handeling in kwestie niet in verhouding staat tot het beweerde politieke doel, en terroristische daden die worden gekenmerkt door geweld. Deze moeten, ook wanneer zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige niet-politieke misdrijven worden aangemerkt. Dergelijke handelingen en daden kunnen derhalve leiden tot uitsluiting van internationale bescherming. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als is vastgesteld dat sprake is van een ernstig, niet-politiek misdrijf, dan is een verdere evenredigheidstoetsing of toetsing aan proportionaliteit, die impliceert dat de ernst van de gestelde daden nogmaals wordt beoordeelt, niet verplicht. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Onder de doelstellingen van de VN wordt verstaan: de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. Onder de beginselen van de VN wordt verstaan: artikel 2 van het Handvest van de VN van 1945. De volgende handelingen zijn in ieder geval in strijd met de doelstellingen en beginselen van de VN: handelingen die expliciet zijn genoemd als strijdig met de doelstellingen en/of beginselen van de VN door het Internationaal Hof van Justitie, de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad van de VN; en misdrijven die strafbaar zijn gesteld in het Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof. Om de vreemdeling verantwoordelijk te kunnen houden voor misdrijven die vallen onder artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag beoordeelt de IND: of de functionele of feitelijke verantwoordelijkheid van de vreemdeling op een dusdanig niveau ligt dat deze geacht mag worden zich van de plaats van de staat binnen de internationale gemeenschap bewust te zijn; of uit de persoonlijke achtergrond van de vreemdeling blijkt dat hij kennis heeft of had moeten hebben van de doelstellingen of beginselen van de VN. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Voor tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, moet de IND aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Als de IND ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te voorkomen. Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, onderzoekt de IND of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (‘knowing participation’) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Er is in ieder geval sprake van ‘knowing participation’ bij de vreemdeling in één van de volgende situaties: de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan de IND heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die genoemd worden in artikel 1F Vluchtelingenverdrag; de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door de minister is aangewezen als groep, waarop in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is; of de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het misdrijven betrof zoals bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. In het geval van situatie a. of b. toetst de IND of de vreemdeling een uitzondering vormt op de regel dat de vreemdeling wetenschap gehad heeft of had moeten hebben van het plegen van de misdrijven. De IND spreekt dan van een ‘significante uitzondering’. De IND neemt geen ‘knowing participation’ aan voor misdrijven als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, als de vreemdeling tijdens het plegen van de misdrijven nog niet de leeftijd van vijftien jaren had bereikt. Als de vreemdeling bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaar oud was, betrekt de IND alle feiten en omstandigheden bij haar onderzoek om vast te stellen of de vreemdeling weet heeft gehad of had moeten hebben van de misdrijven. Als de vreemdeling bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaren oud was en als soldaat in een leger heeft gediend, worden in ieder geval de volgende omstandigheden door de IND meegewogen: de leeftijd van de vreemdeling op het moment van de indiensttreding; of de vreemdeling vrijwillig of gedwongen in dienst is getreden; de consequenties bij weigering van indiensttreding. In dit verband hanteert de IND het leerstuk van de subjectieve overmacht als uitgangspunt. De IND beoordeelt of van de vreemdeling als minderjarige verwacht kon worden weerstand te bieden aan de op hem uitgeoefende druk om in dienst te gaan; of er tijdens de indiensttreding van de vreemdeling gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die de mogelijkheid om tot een afgewogen keuze te komen hebben aangetast; de lengte van de periode dat de vreemdeling als minderjarige, jonger dan vijftien jaren werkzaam is geweest binnen het leger; de aanwezigheid van mogelijkheden voor de vreemdeling om eerder te ontsnappen en/of zich aan persoonlijke deelname aan misdrijven te onttrekken; of de vreemdeling de misdrijven gepleegd heeft onder invloed van drugs en/of medicatie waartoe hij gedwongen was tot inname; en of er binnen het leger waar de vreemdeling in dienst was bevorderingen plaatsvonden op grond van goede prestaties. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Er is sprake van ‘personal participation’ bij de vreemdeling in tenminste één van de volgende situaties: de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd; de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd; de vreemdeling heeft een misdrijf als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gefaciliteerd; of de vreemdeling behoort tot een groep die door de minister is aangewezen als groep die in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag tegengeworpen krijgt. De vreemdeling heeft een misdrijf gefaciliteerd, als zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. De IND concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen als aan beide volgende voorwaarden is voldaan: de bijdrage heeft een effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf; en het misdrijf had hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden als niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of als de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden. De IND toetst of er sprake is van een ‘significante uitzondering’ zoals beschreven in de subparagraaf ‘bewijslast en verantwoordelijkheid’ (‘knowing participation’). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND toetst aan artikel 33 van het Statuut van Rome, inzake het Internationaal Strafhof voor de beoordeling van de individuele verantwoordelijkheid van de vreemdeling, als de vreemdeling heeft gehandeld op bevel van een regering of meerdere. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als de vreemdeling aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van misdrijven, wordt hij niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid als sprake is van in ieder geval één van de volgende situaties: er wordt geen geloof gehecht aan de door de vreemdeling gestelde dwang; er bestond voor de vreemdeling de mogelijkheid om zich te onttrekken aan het misdrijf; de vreemdeling was al geruime tijd in dienst van een organisatie voordat de dwang voorzienbaar optrad; of de mate van dwang weegt niet op tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Wanneer de vreemdeling aanvoert uit zelfverdediging misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag te hebben gepleegd, wordt deze niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid als er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties: er wordt geen geloof gehecht aan de door de vreemdeling gestelde bedreiging; de bedreiging waartegen de vreemdeling zich stelt te hebben verdedigd weegt niet op tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf; het moet voor de vreemdeling duidelijk zijn geweest dat het door hem begane misdrijf de dreiging niet had kunnen afwenden; of de vreemdeling heeft niet slechts één misdrijf gepleegd, maar heeft gedurende een langere periode meerdere misdrijven gepleegd. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Als aan de vreemdeling op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning asiel wordt verleend, maar tegelijkertijd aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM beoordeelt de IND alle volgende omstandigheden: of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja, of de gevolgen voor de vreemdeling van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn, afgewogen tegen de belangen van de Staat om de doelstellingen van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te handhaven. De term ‘duurzaam’ houdt in dat sprake moet zijn van alle volgende omstandigheden: de vreemdeling bevindt zich op het moment dat de beslissing wordt genomen al gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie dat de vreemdeling wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf de datum dat de 3 EVRM belemmering is vastgesteld; er is geen vooruitzicht op verandering binnen niet al te lange termijn, gerekend vanaf heden, in de situatie dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet naar het land van herkomst vanwege een dreigende schending van artikel 3 EVRM; en vertrek van de vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst is ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan de vertrekplicht van de vreemdeling niet mogelijk. De IND neemt disproportionaliteit aan als de vreemdeling aantoont dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt. Als de vreemdeling disproportionaliteit heeft aangetoond en de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, verleent de IND krachtens artikel 3.6b, onder a, Vb ambtshalve een verblijfsvergunning onder de beperking humanitair tijdelijk op grond van artikel 3.48, tweede lid aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder e, VV. De verblijfsvergunning wordt in dat geval voor maximaal een jaar verleend en kan telkens met maximaal een jaar worden verlengd (artikel 3.58, eerste lid onder q, Vb). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND verleent op grond van de artikelen 3.77 en 3.107 Vb geen verblijfsvergunning asiel aan gezinsleden van een vreemdeling op wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Dit geldt niet wanneer deze gezinsleden op zelfstandige gronden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw. De IND werpt de contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag niet tegen aan een gezinslid, als de feitelijke gezinsband met de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen feitelijk verbroken is. Van verbreking van de gezinsband wordt niet uitgegaan als blijkt dat de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen op enige wijze gebruik blijft maken van de voorzieningen van het gezinslid. De contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt niet langer tegengeworpen aan het gezinslid van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: het gezinslid verblijft tenminste tien jaren in Nederland gerekend vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel; het verblijf van het gezinslid in Nederland is ononderbroken; en het gezinslid heeft zijn vertrek naar het land van herkomst niet tegengewerkt. Voor de gezinsleden binnen één gezin waarbinnen de feitelijke gezinsband niet is verbroken, geldt voor alle gezinsleden de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van het hier langst verblijvende gezinslid als aanvang van de termijn. De aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen telt hiervoor niet mee. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De IND verstaat hieronder de vreemdeling die, anders dan onder artikel 30b, eerste lid, Vw, en als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder f, Procedureverordening, op een eerder moment op grond van de openbare orde of nationale veiligheid de toegang tot Nederland (en daarmee het Schengengebied) is geweigerd en derhalve, zonder dat het gepleegde feit heeft geleid tot een inreisverbod of ongewenstverklaring zoals bedoeld in artikel 66a Vw of artikel 67 Vw, is uitgezet naar het land van herkomst. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Hieronder valt in ieder geval een volgende aanvraag waarbij nieuwe relevante elementen zijn ingebracht voor de beoordeling van de aanvraag, maar waar dit niet leidt tot een inwilliging van de aanvraag. De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder h, Procedureverordening om de situatie dat: de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen; of de vreemdeling zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd. Hieronder valt ook de vreemdeling die zich pas meldt na het verlopen van een visum en in de tussentijd geen andere wijze van rechtmatig verblijf heeft gehad. ‘Gezien de omstandigheden van zijn of haar binnenkomst’ zoals volgt uit artikel 42, eerste lid, onder h, Procedureverordening, betekent dat bij de beoordeling betrokken moet worden of de asielmotieven al aanwezig waren bij binnenkomst, of dat die op een later moment zijn ontstaan. De IND werpt de vreemdeling niet tegen dat hij onrechtmatig binnen is gekomen als de vreemdeling zich uit eigen beweging binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een asielaanvraag wil indienen. De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder i, Procedureverordening om de situatie dat: de vreemdeling Nederland rechtmatig is binnengekomen; de vreemdeling, gezien de gronden van zijn binnenkomst, zonder goede reden niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag heeft ingediend Hieronder valt ook de vreemdeling die zich meldt terwijl hij rechtmatig verblijf heeft op basis van een geldig visum. ‘Gezien de omstandigheden van zijn of haar binnenkomst’ zoals volgt in artikel 42, eerste lid, onder i, Procedureverordening, betekent dat bij de beoordeling betrokken moet worden of de asielmotieven al aanwezig waren bij binnenkomst, of dat die op een later moment zijn ontstaan. De IND werpt de vreemdeling niet tegen dat hij zich zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk heeft gemeld als de vreemdeling zich uit eigen beweging binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een asielaanvraag wil indienen. De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder j, Procedureverordening om de situatie dat: De vreemdeling de nationaliteit heeft van, of in het geval van een staatloze zijn gewone verblijfplaats had in een derde land waarvoor volgens de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat voor de gehele Unie, de beslissingsautoriteit in 20% of minder van de gevallen internationale bescherming heeft verleend. Dit percentage is een afspiegeling van de gemiddelde aantallen van verleende internationale bescherming van alle lidstaten. De IND werpt dit de vreemdeling niet tegen in het geval de IND oordeelt dat zich sinds de publicatie van de betreffende Eurostat-gegevens in het betrokken derde land een belangrijke wijziging heeft voorgedaan. De IND werpt dit de vreemdeling niet tegen indien de vreemdeling behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenningspercentage van 20% of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd, wegens een specifieke vervolgingsgrond. De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening). Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Op ieder moment in de procedure kan een vreemdeling een aanvraag intrekken. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen een impliciete en een expliciete intrekking. Bij beide opties bestaat de mogelijkheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen of om inhoudelijk te beslissen. Deze laatste verdient de voorkeur, voor zover er voldoende informatie is om een inhoudelijke beslissing te maken. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Op ieder moment van de procedure kan een vreemdeling uit eigen beweging diens verzoek actief intrekken; dit betreft de expliciete intrekking. Dit verzoek tot intrekking moet schriftelijk worden ingediend. Dat kan de vreemdeling zelf doen of het kan door zijn gemachtigde worden gedaan. De vreemdeling dient door de IND op de hoogte gesteld te worden van de procedurele gevolgen van die intrekking. Er kan vervolgens op twee wijzen op worden gehandeld: De IND heeft voldoende informatie om inhoudelijk te beslissen en komt tot de conclusie dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor internationale bescherming. In dat geval wordt de beslissing afgedaan als (kennelijk) ongegrond op grond van artikel 31, derde lid, onder a, Vw of artikel 30b, tweede lid, onder a, Vw). De aanvraag wordt niet als expliciet ingetrokken beschouwd. De IND heeft niet voldoende informatie om inhoudelijk te beslissen en stelt de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid onder a, Vw, nu deze expliciet is ingetrokken. De IND vaardigt een besluit uit, waarin wordt opgenomen dat de aanvraag expliciet is ingetrokken. Deze beslissing is definitief; hiertegen is geen beroep mogelijk. De IND kan bij de beoordeling of er voldoende informatie voorhanden is om inhoudelijk te beslissen onder meer betrekken: het persoonlijk onderhoud; de overgelegde documentatie; en ambtshalve bekende informatie. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Een aanvraag kan ook impliciet ingetrokken worden verklaard als één van de gronden van artikel 41, eerste lid, Procedureverordening van toepassing is. Ook bij impliciete intrekkingen kan inhoudelijk worden beslist, wanneer er voldoende informatie beschikbaar is om de aanvraag af te doen als (kennelijk) ongegrond op grond van artikel 31, derde lid, onder b of artikel 30b, eerste lid, onder b, Vw. Wanneer het niet mogelijk is om af te wijzen wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, Vw. Als een of meer van de omstandigheden genoemd in artikel 41, eerste lid Procedureverordening zich voordoen en op dat moment nog geen inhoudelijke beslissing kan worden genomen, wordt de aanvraag als impliciet ingetrokken beschouwd. De IND kan de vreemdeling gelet op artikel 41, vierde lid van de Procedureverordening een hersteltermijn van maximaal drie dagen aanbieden om gegronde redenen aan te voeren voor de nalatigheden of handelingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 41 Procedureverordening en / of om alsnog te voldoen aan het hetgeen in dit artikel is opgenomen. Bij de grensprocedure, bewaringszaken en VRIS-zaken kan er maximaal een termijn van één dag gegeven worden. Het bieden van een hersteltermijn blijft achterwege indien: de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken; het niet mogelijk is om contact met de vreemdeling op te nemen; en de vreemdeling (nog) geen advocaat heeft of een advocaat heeft die desgevraagd aangeeft geen contact meer te hebben met de vreemdeling. Wanneer de impliciete intrekking plaatsvindt binnen het OVA-proces, wordt er gewacht met beslissen tot de uiterlijke termijn voor de screening zoals neergelegd in artikel 8 Screeningsverordening is verstreken, waarna de aanvraag in beginsel buiten behandeling wordt gesteld. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt zo spoedig mogelijk een besluit omtrent weigering van de toegang als bedoeld in artikel 14 in samenhang met artikel 6 SGC (model M17), als de aanvraag binnen de grensprocedure expliciet of impliciet wordt ingetrokken. Na het nemen van dit besluit, legt de bevoegde ambtenaar middels beschikking model M19 of M19A een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op krachtens artikel 6, eerste en tweede lid Vw dan wel artikel 6a Vw. Het nemen van een besluit omtrent weigering van de toegang en het opleggen van deze nieuwe maatregel moet plaatsvinden binnen twee dagen na intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Als de vreemdeling in vreemdelingenbewaring zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel intrekt, wordt beoordeeld of aansluitend een nieuwe maatregel op grond van artikel 59, eerste lid onder a, Vw opgelegd kan worden. Ook hiervoor geldt een termijn van twee dagen. Bij VRIS-zaken moet beoordeeld worden of er bij een inhoudelijke beslissing op grond van openbare orde een zwaar inreisverbod kan worden opgelegd. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel