Naar hoofdinhoud

Artikel B6

Kennis en talent

Onderdeel van Vreemdelingencirculaire 2000 (B)· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 29 november 2016

In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven voor de volgende verblijfsdoelen: het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst; arbeid als kennismigrant; onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801; arbeid als zelfstandige; houder van een Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2021/1883/EU; of overplaatsing binnen een onderneming. De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen uit het Vb, het BuWav en het VV: artikelen 3.3, 3.4, 3.23b, 3.23c, 3.30, 3.30a, 3.30b, 3.30d, 3.32, 3.33 en 3.42, 3.89b, 3.89ba, 3.91c, 4.43 en 4.47 Vb; artikelen 2.1, 2.2, 2.3 en 2.6 BuWav; artikelen 3.20a, 3.20b, 3.20c, 3.20d, 3.23, 4.24, 4.35 en 4.36 VV. De beleidsregels over kortermijnmobiliteit binnen de Europese Unie van onderzoekers en hun gezinsleden zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 8 en 12 uit de Vw. Bij het bepalen van de ingangsdatum van de drie jaren, zoals opgenomen in artikel 3.42, eerste lid, Vb geldt: voor vreemdelingen die aan een Nederlandse onderwijsinstelling zijn afgestudeerd de datum die op het diploma is vermeld of de datum waarop volgens schriftelijke verklaring van de onderwijsinstelling is voldaan aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of getuigschrift van die opleiding; en voor vreemdelingen die aan een buitenlandse onderwijsinstelling zijn afgestudeerd of gepromoveerd de datum die op het diploma is vermeld. In aanvulling op artikel 3.42, eerste lid, onder c, Vb beschouwt de IND het afronden van een postdoctorale opleiding als voldoende, als deze: voor een academisch jaar is aangegaan; en vanwege de zomerperiode korter dan 12 maanden, maar minimaal 10 maanden, heeft geduurd. In aanvulling op artikel 3.42, eerste lid, onder e, Vb en artikel 3.23 VV geldt het volgende. In het geval de onderwijsinstelling niet is opgenomen in de top 200 van ten minste twee van de algemene lijsten genoemd in artikel 3.23 VV, maar wel is opgenomen in de top 200 van de ranglijsten per faculteit en vakgebied, dient de vreemdeling te zijn afgestudeerd of gepromoveerd in het vakgebied waarmee de onderwijsinstelling in de top 200 van de ranglijst per faculteit en vakgebied staat om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. In aanvulling op artikel 3.42, eerste lid, onder e, Vb en artikel 3.23 VV geldt dat de onderwijsinstelling op de datum van afstuderen of promoveren in de top 200 van de ranglijsten als bedoeld in artikel 3.23 VV staat. Voor afgestudeerde UAF-studenten die in aanmerking willen komen voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het zoekjaar hoogopgeleiden geldt aanvullend het volgende: de aanvraag dient in beginsel door tussenkomst van de Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF te worden ingediend; op grond van artikel 3.71, derde lid, Vb kan worden voorbijgegaan aan het mvv-vereiste indien de afgestudeerde UAF-student rechtmatig in Nederland verblijft; en het paspoortvereiste wordt niet tegengeworpen als op grond van een individuele beoordeling op basis van de aanwezige documenten de identiteit en nationaliteit van de betreffende afgestudeerde UAF-student voldoende aannemelijk zijn gemaakt. In aanvulling op artikel 3.42, tweede lid, Vb geldt dat een tweede verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ alleen wordt verleend als de vreemdeling na afloop van het eerste zoekjaar een nieuwe opleiding heeft afgerond of opnieuw wetenschappelijk onderzoek heeft verricht als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, Vb. Voor de hoogte van het looncriterium wordt verwezen naar artikel 2.1, eerste en vijfde lid, BuWav. De vereisten zoals opgenomen in de artikelen 3.73 tot en met 3.75 Vb zijn van toepassing op aanvragen om een verblijfsvergunning als de vreemdeling conform artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b of c, BuWav wordt aangemerkt als: een wetenschappelijk onderzoeker; of een arts in opleiding tot specialist aan een door de Medisch Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie aangewezen opleidingsinstituut. De IND past het verlaagde looncriterium als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, sub 2, BuWav toe in de volgende drie situaties: De kennismigrant heeft een verblijfsvergunning voor het zoekjaar hoogopgeleiden in de zin van artikel 3.42, eerste lid, Vb en de opvolgende vergunning als kennismigrant wordt tijdens of direct na dit zoekjaar aangevraagd; De kennismigrant had in het verleden een verblijfsvergunning voor het zoekjaar hoogopgeleiden in de zin van artikel 3.42, eerste lid, Vb en de verblijfsvergunning als kennismigrant wordt aangevraagd binnen drie jaar na de afstudeerdatum of promotiedatum of binnen drie jaar na de datum waarop de verblijfsvergunning voor wetenschappelijk onderzoek is verlopen; of De kennismigrant heeft geen verblijfsvergunning voor het zoekjaar hoogopgeleiden in de zin van artikel 3.42, eerste lid, Vb gehad maar voldoet wel aan alle voorwaarden voor het zoekjaar hoogopgeleiden in de zin van artikel 3.42, eerste lid, Vb. De verblijfsvergunning als kennismigrant dient binnen drie jaar na de afstudeerdatum of promotiedatum te worden aangevraagd, of binnen drie jaar na de datum waarop – indien van toepassing – de verblijfsvergunning voor wetenschappelijk onderzoek is verlopen. Op grond van artikel 3.30a, eerste lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ af of trekt deze achteraf in als het loon naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet marktconform is. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoordeelt of er sprake is van een marktconform loon. De IND telt bij de berekening van het bruto maandloon als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, BuWav de onkostenvergoedingen en toeslagen mee, als: de werkgever het loon inclusief onkostenvergoedingen en toeslagen over een periode van ten hoogste een maand elke maand giraal overmaakt op een bankrekening, bestemd voor girale betaling, die op naam is gesteld van de vreemdeling; en de onkostenvergoeding en toeslagen contractueel zijn vastgelegd. De IND telt bij het bruto maandloon niet mee: (de waarde van) in natura uitgekeerd loon; de vakantietoeslag; en/of de waarde van onzekere, niet vaste, loonbestanddelen als overwerkvergoedingen, fooien en uitkeringen uit fondsen. De IND verleent in aanvulling op artikel 3.30a Vb aan de vreemdeling die een beroep wil uitoefenen in de individuele gezondheidszorg uitsluitend een verblijfsvergunning, als registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden, voor zover voor het uitoefenen van het beroep in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is op grond van de artikelen 3 en 36a van de Wet BIG. De IND verleent de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning onder de beperking arbeid als kennismigrant een zoekperiode van drie maanden om een nieuwe functie als kennismigrant te vinden als de vreemdeling werkloos raakt. De zoekperiode vangt aan op de dag waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden. De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als kennismigrant’ in: nadat de zoekperiode van drie maanden is verstreken; en de vreemdeling geen nieuwe functie als kennismigrant heeft gevonden. De IND trekt deze verblijfsvergunning in per datum einde zoekperiode. De IND trekt deze verblijfsvergunning niet in als de vreemdeling binnen drie maanden een nieuwe functie als kennismigrant vindt, voor zover wordt voldaan aan alle voorwaarden. De IND verstaat onder onderzoekers in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 ook promovendi en onbezoldigd onderzoekers zoals bursalen en ontvangers van stipendia. Onderzoekers kunnen voor twee verblijfsbeperkingen in aanmerking komen: als onderzoeker in de zin van richtlijn (EU) 2016/801; of als kennismigrant conform de gelijknamige regeling (zie paragraaf B6/2.3 Vc). Uit een gastovereenkomst als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, Vb moet in ieder geval blijken dat aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: het onderzoeksproject is goedgekeurd door de onderzoeksinstelling; de vreemdeling beschikt over een passend diploma van hoger onderwijs waarmee toegang bestaat tot een doctoraatprogramma; en de rechtsbetrekking en de arbeidsvoorwaarden van de vreemdeling zijn opgenomen in de gastovereenkomst. De IND verleent in aanvulling op artikel 3.33, eerste lid, Vb aan de vreemdeling die een beroep wil uitoefenen in de individuele gezondheidszorg uitsluitend een verblijfsvergunning, als registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden, voor zover voor het uitoefenen van het beroep in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is op grond van de artikelen 3 en 36a van de Wet BIG. Een diploma van hoger onderwijs geeft toegang tot doctoraatprogramma’s om onderzoek te mogen doen in de zin van richtlijn (EU) 2016/801. In afwijking hiervan kan een vreemdeling in aanmerking komen voor verblijf in Nederland om onderzoek (PhD) te verrichten en hiervoor een verblijfsvergunning te verkrijgen zonder al in het bezit te zijn van een passend diploma van hoger onderwijs, voor zover de erkende onderzoeksinstelling verklaart dat op individuele gronden is aangetoond dat de vreemdeling over het benodigde niveau beschikt. De IND beschouwt deze vreemdeling als een student die in het bezit is van een passend diploma van hoger onderwijs, voor zover de erkende onderzoeksinstelling waarbij de student onderzoek gaat doen bereid is om hem voor dit doel toe te laten. De vreemdeling die dan onderzoek mag verrichten en gelijktijdig een masterprogramma volgt, valt in dat geval onder de beleidsregels voor onderzoek in de zin van de richtlijn (EU) 2016/801. In aanvulling op paragraaf B1/4.3 Vc beschouwt de IND de middelen van bestaan uit de volgende inkomensbronnen als zelfstandig in de zin van artikel 3.73 Vb: een inkomen uit een (studie)beurs, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen; een inkomen uit een stipendium, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen; een inkomen uit periodieke betalingen uit sponsorgelden of op andere wijze, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen; of een op een ten name van de vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland beschikbaar bedrag. Richtlijn (EU) 2016/801 maakt twee vormen van mobiliteit mogelijk voor onderzoekers en diens gezinsleden, te weten: Kortetermijnmobiliteit, zoals opgenomen in artikel 3.3, vierde lid, Vb; en Langetermijnmobiliteit, zoals opgenomen in artikelen 29 en 30 van richtlijn (EU) 2016/801, waarvoor de voorwaarden zijn opgenomen in artikel 3.33 Vb. Binnen deze twee vormen van mobiliteit is een onderscheid te maken tussen: Uitgaande mobiliteit, waarbij de IND aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 heeft verleend en Nederland de eerste lidstaat is; of Inkomende mobiliteit, waarbij aan de vreemdeling een verblijfsvergunning voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 is verleend door een andere lidstaat binnen de Europese Unie en Nederland de tweede lidstaat is. De erkende referent is verplicht om, indien de vreemdeling in het bezit is van een door de IND afgegeven verblijfsvergunning regulier voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 en hij tevens onderzoek gaat verrichten in één of meerdere tweede lidstaten, uiterlijk vier weken voor aanvang van de uitgaande mobiliteit alle volgende informatie te melden bij de IND: De verwachte duur van de mobiliteit met de verwachte begin- en einddatum; In welke tweede lidstaat of lidstaten de vreemdeling onderzoek gaat verrichten; en Of de vreemdeling aansluitend terugkeert naar Nederland als eerste lidstaat en zo ja, wanneer hij verwacht terug te keren. De IND verschaft na ontvangst van een kennisgeving, als bedoeld in artikel 4.47, eerste lid, Vb respectievelijk artikel 4.47 vierde lid Vb, desgevraagd een verblijfssticker waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, als aan de voorwaarden voor inkomende mobiliteit is voldaan: De vreemdeling is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie zonder Ierland en Denemarken. Als die lidstaat geen verblijfsvergunning heeft afgegeven met het verblijfsdoel onderzoek, dan is het aan de vreemdeling om aan te tonen, dat hij een verblijfsrecht in het kader van onderzoek heeft; De vreemdeling is in het bezit van een gastovereenkomst met de Nederlandse onderzoeksinstelling, als bedoeld in artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/801; De kennisgeving is voorzien van alle relevante stukken als genoemd in paragraaf B6/4.4 Vc ingediend door een hiertoe gemachtigde erkende onderzoeksinstelling in Nederland of de vreemdeling zelf; De mobiliteit is voor de duur van maximaal 180 dagen in een periode van 360 dagen en past binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zoals afgegeven door de eerste lidstaat; De vreemdeling gaat in Nederland onderzoek verrichten aan een krachtens artikel 2c van de Vw als referent erkende onderzoeksinstelling; en Er zijn geen bewijzen of ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen als bedoeld in artikel 3.3, zesde lid, Vb. De gezinsleden van de vreemdeling hebben op grond van artikel 3.3, vierde lid, onder b, Vb het recht om de vreemdeling tijdens de inkomende kortetermijnmobiliteit te vergezellen. De onderzoeker dient als referent de kennisgeving, zoals genoemd in artikel 30, tweede lid, juncto artikel 28, tweede lid, van richtlijn (EU) 2016/801, in voor diens gezinsleden. De IND verschaft na ontvangst van een kennisgeving desgevraagd een verblijfssticker waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, als aan de voorwaarden voor inkomende mobiliteit is voldaan: De vreemdeling is, als gezinslid van de onderzoeker, in het bezit van een geldige door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning; De kennisgeving is, voorzien van alle relevante stukken als genoemd in paragraaf B6/4.4 Vc, ingediend door de onderzoeker als referent; De mobiliteit is voor de duur van maximaal 180 dagen in een periode van 360 dagen en past binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zoals afgegeven door de eerste lidstaat; en Er zijn geen bewijzen of ernstige en objectieve redenen om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen als bedoeld in artikel 3.3, zesde lid, Vb. Indien niet langer aan de voorwaarden voor inkomende kortetermijnmobiliteit wordt voldaan, maakt de IND bij de gemachtigde onderzoeksinstelling en/of de vreemdeling kenbaar dat het verblijfsrecht in kader van de inkomende kortetermijnmobiliteit is geëindigd. Hierop is artikel 62a, derde lid, Vw van toepassing. De erkende referent is verplicht om uiterlijk vier weken voor aanvang van de uitgaande mobiliteit alle informatie te melden bij de IND zoals genoemd bij de uitgaande kortetermijnmobiliteit voor onderzoekers. De erkende referent dient bij inkomende langetermijnmobiliteit als onderzoeker namens de vreemdeling een aanvraag in bij de IND in voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801. Om voor inwilliging in aanmerking te komen moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden worden voldaan: De vreemdeling is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning voor onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie zonder Ierland en Denemarken. Als die lidstaat geen verblijfsvergunning heeft afgegeven met het verblijfsdoel onderzoek, dan is het aan de vreemdeling om aan te tonen, dat hij een verblijfsrecht in het kader van onderzoek heeft; De vreemdeling is in het bezit van een gastovereenkomst met de Nederlandse onderzoeksinstelling, als bedoeld in artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/801; De mobiliteit is voor de duur van meer dan 180 dagen en past binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zoals afgegeven door de eerste lidstaat; De vreemdeling gaat in Nederland onderzoek verrichten aan een krachtens artikel 2c van de Vw als referent erkende onderzoeksinstelling; en Het onderzoeksprogramma bevat mobiliteitsmaatregelen in het kader waarvan de vreemdeling in Nederland onderzoek gaat verrichten. De gezinsleden van de vreemdeling hebben op grond van artikel 30, derde en vierde lid, van richtlijn (EU) 2016/801 het recht om de vreemdeling tijdens zijn mobiliteit te vergezellen. De gezinsleden die de onderzoeker willen vergezellen, dienen bij inkomende langetermijnmobiliteit een aanvraag in bij de IND (zie hoofdstuk B7 Vc). De onderzoeker mag als referent de aanvraag voor diens gezinsleden indienen. Gelet op artikel 3.26 VV geldt dat erkende referenten als bedoeld in artikel 3.99, eerste lid, Vb ook de aanvraag ten behoeve van een gezinslid in mogen dienen. De als referent erkende onderzoeksinstelling mag derhalve de aanvraag indienen. Op grond van artikel 3.71, derde lid, Vb wijst de IND een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder een beperking ‘arbeid als zelfstandige’ niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als: de aanvraag is ingediend in het kader van artikel 3.30, zesde lid, Vb; en de vreemdeling al in Nederland is in verband met het oprichten van een innovatieve onderneming en in het bezit van een visum kort verblijf of niet-visumplichtig is. De aanvraag voor het verrichten van arbeid als zelfstandige wordt geweigerd, als: de vreemdeling op de loonlijst staat maar zelf buiten Nederland woont; of de vreemdeling geld investeert in een bedrijf maar zelf geen ondernemingsactiviteiten verricht. In aanvulling op artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder c, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ aan een vreemdeling als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: de vreemdeling wil een onderneming voeren in de individuele gezondheidszorg en registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden, voor zover voor het uitoefenen van het beroep in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is op grond van de artikelen 3 en 36a van de Wet BIG; of de vreemdeling is in het bezit van alle noodzakelijke vergunningen voor de uitoefening van de onderneming. Dit hangt af van de betreffende wetgeving die voor de onderneming geldt. In aanvulling op artikel 3.30 Vb beschouwt de IND de vreemdeling als zelfstandige die een directeur-(groot)aandeelhouder is als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: de vreemdeling heeft een belang van 25% of meer in de onderneming; de vreemdeling loopt een ondernemingsrisico; en de vreemdeling kan de hoogte van het salaris zelf beïnvloeden. De IND verleent een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.30 Vb aan een vreemdeling die onderdaan is van de Verenigde Staten van Amerika of Japan op grond van de hierboven genoemde Verdragen als wordt voldaan aan de algemene verblijfsvoorwaarden als genoemd in artikel 16 Vw met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onder c, Vw, én de vreemdeling: handel drijft tussen de grondgebieden van de twee verdragspartijen en zich bezighoudt met daarmee samenhangende of in verband staande werkzaamheden op handelsgebied; of de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin de vreemdeling een aanzienlijk kapitaal heeft geïnvesteerd of waarin deze daadwerkelijk bezig is dat te doen, ontwikkelt en leidt. Ad b. De IND verstaat onder het begrip ‘bedrijfsuitoefening van een onderneming’ in ieder geval één van de volgende situaties: de vreemdeling vertegenwoordigt een Amerikaanse of Japanse onderneming in Nederland en is in dienst van deze onderneming in een sleutelfunctie; of de vreemdeling oefent een vrij beroep uit tenzij sprake is van een zekere publieke taak of een functie in de gezondheidszorg of publieke veiligheidssector. De IND verstaat onder ‘aanzienlijk kapitaal’ in de hierna genoemde situaties het volgende: eenmanszaak: een kapitaal waarmee de ondernemer zelfstandig de onderneming kan exploiteren. De IND beoordeelt de hoogte van het kapitaal per situatie, maar houdt als minimum een kapitaal van € 4.500 aan; Vof: een kapitaal van ten minste 25% van het firmakapitaal, met als minimum een kapitaal van € 4.500; Cv: voor de beherende vennoot geldt hetzelfde als bij een vennootschap onder firma. De stille vennoot oefent geen onderneming uit en valt niet onder het bepaalde in de verdragen; Bv: een kapitaal van ten minste 25% van het gestorte kapitaal, met als minimum een kapitaal van € 4.500. Nv: ten minste 25% van het gestorte kapitaal. Het gestorte kapitaal is in Nederland ten minste € 45.000, zodat het ‘aanzienlijk kapitaal’ ten minste € 11.250 beslaat. De IND telt geleend kapitaal niet mee als onderdeel van het ‘aanzienlijk kapitaal’. De IND trekt de verblijfsvergunning in als het aanzienlijk kapitaal onder het voor de ondernemingsvorm geldende minimum komt. Een vreemdeling die een beroep als zelfstandig kunstenaar uitoefent kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als hij voldoet aan het gestelde in artikel 3.30 Vb in samenhang met artikel 3.20a, vijfde lid, VV en bijlage 8aaa behorend bij artikel 3.20a, vijfde lid, VV. Voor de hoogte van het looncriterium en de wijze van uitbetaling van het loon wordt verwezen naar artikel 2.2, eerste lid, onder b, zesde, zevende en achtste lid, BuWav. Op grond van artikel 3.30b, eerste lid, sub c, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Europese blauwe kaart’ af of trekt deze achteraf in als het loon naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet marktconform is. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beoordeelt of er sprake is van een marktconform loon. Voor de vraag welke bestanddelen meetellen bij het vaststellen van de hoogte van het bruto maandloon is het gestelde in paragraaf B6/2.3 Vc onder het kopje ‘Bestanddelen bruto maandloon kennismigranten’ van overeenkomstige toepassing. In aanvulling op artikel 3.30b Vb geldt dat de daar bedoelde getuigschriften voldoen als de vreemdeling arbeid gaat verrichten waarvoor minimaal een diploma van hoger onderwijs vereist is. Deze paragraaf is een uitwerking van artikel 3.30b, derde lid, Vb. Voor de invulling van hogere beroepsvaardigheden wordt uitgegaan van hetgeen blijkt uit de eigen verklaring aangevuld met de informatie die blijkt uit de andere bewijsmiddelen zoals genoemd in paragraaf B6/4.6.3 Vc. In aanvulling op artikel 3.30b Vb hebben de werkgever en de vreemdeling bij een gereguleerd beroep de verantwoordelijkheid om desgevraagd bij een controle door de bevoegde instantie aan te tonen dat de vreemdeling beschikt over de erkenning van de vereiste beroepskwalificaties voor dit beroep. Zie hiervoor artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. De IND verleent in aanvulling op artikel 3.30b Vb aan de vreemdeling die een beroep wil uitoefenen in de individuele gezondheidszorg uitsluitend een verblijfsvergunning, als registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden, voor zover voor het uitoefenen van het beroep in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is op grond van de artikelen 3 en 36a van de Wet BIG. Deze paragraaf is een aanvulling op de artikelen 4.43, 3.89b en 3.89ba Vb. De IND geeft de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning als houder van een Europese blauwe kaart een zoekperiode van drie maanden als de vreemdeling werkloos raakt om een nieuwe functie als houder van een Europese blauwe kaart te vinden. De IND verruimt deze zoekperiode tot zes maanden als de vreemdeling ten minste twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart in Nederland. De zoekperiode vangt aan op de dag waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden. De IND trekt de verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘verblijf als houder van de Europese blauwe kaart’ in: nadat de zoekperiode zoals hierboven is beschreven, is verstreken; en de vreemdeling geen nieuwe functie als houder van een Europese blauwe kaart heeft gevonden bij een werkgever die voor hem optreedt als referent. De IND trekt de verblijfsvergunning niet in als de vreemdeling binnen drie maanden een nieuwe functie als houder van een Europese blauwe kaart vindt, mits wordt voldaan aan alle voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning is verleend. De IND verruimt deze termijn tot zes maanden als de vreemdeling ten minste twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart in Nederland. Op grond van artikel 3.30d, vierde lid, Vb vraagt de IND advies aan het UWV indien de referent erkend is en: de vreemdeling een trainee-werknemer is; of het salaris als niet marktconform wordt beschouwd als bedoeld in artikel 3.30d, eerste lid, onder g, Vb. De IND beschouwt een salaris dat voldoet aan het looncriterium voor arbeid als kennismigrant als marktconform als bedoeld in artikel 3.30d, eerste lid, onder g, Vb. Op grond van artikel 3.30d, vierde lid, Vb vraagt de IND geen advies aan het UWV en wijst de IND de aanvraag af of trekt de vergunning in, als: de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.30d, eerste lid, onder j, k of l, Vb; sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 3.30d, tweede lid, aanhef en onder c, Vb; het onderdeel van de onderneming, waarnaar de vreemdeling in Nederland wordt overgeplaatst, niet is ingeschreven in de Kamer van Koophandel; de vreemdeling voor meer dan 50% eigenaar is van de onderneming. Als de vreemdeling meer dan 50% eigenaar is van de onderneming, dan beschouwt de IND deze persoon als zelfstandige. Op dat moment is de ICT-richtlijn niet op hem van toepassing (artikel 2, aanhef en onder d, Richtlijn 2014/66/EU). Op grond van artikel 3.30d, vierde lid, Vb wijst de IND de aanvraag af of trekt de vergunning in indien het UWV een negatief advies geeft omtrent: de voorwaarden genoemd in artikel 3.30d, eerste lid, onderdelen a tot en met j, Vb; of de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 3.30d, tweede lid, Vb. Op grond van artikel 11, vierde lid, respectievelijk 22, vierde lid, van de richtlijn 2014/66/EU vermeldt de IND op het verblijfsdocument van de werknemer ‘ICT’ respectievelijk ‘mobile ICT’. De IND verleent in aanvulling op artikel 3.30d Vb aan de vreemdeling die een beroep wil uitoefenen in de individuele gezondheidszorg uitsluitend een verblijfsvergunning, als registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden, voor zover voor het uitoefenen van het beroep in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is op grond van de artikelen 3 en 36a van de Wet BIG. Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder n, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder d, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Arbeid als kennismigrant’. Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder j, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801’. Op grond van artikel 3.103a, zesde lid, Vb vermeldt de IND aanvullend op het verblijfsdocument: ‘Onderzoekersmobiliteit’. Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder c, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Arbeid als zelfstandige’. Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder e, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart’. Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder g, Vb verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Overplaatsing binnen een onderneming’. Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt verleend op grond van artikel 3.42 Vb: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder g, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid als kennismigrant en als zelfstandige toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’. Op grond van in artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening als de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ’Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. Ook de vreemdeling, die als gezinslid in het kader van inkomende langetermijnmobiliteit de onderzoeker vergezelt en in Nederland verblijft, mag werkzaamheden verrichten. Hiervoor geldt dat arbeid vrij is toegestaan en een TWV niet vereist is (zie paragraaf B7/4 Vc). Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder i, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV’. Op grond van in artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV, luidt de arbeidsmarktaantekening als de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder h, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid als houder van de Europese blauwe kaart en als zelfstandige toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’. Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, VV luidt de arbeidsmarktaantekening, als de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. Op grond van artikel 3.1. vijfde lid, aanhef en onder n, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid wegens overplaatsing binnen een onderneming en arbeid als zelfstandige toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’. Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder n, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van één jaar. Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder d, Vb verleent of verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning: voor de duur van de arbeidsovereenkomst, aanstelling, gastovereenkomst of werkzaamheden; of voor de duur van de opleiding als de vreemdeling als arts in opleiding tot specialist staat ingeschreven in een opleidingsregister. Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder j, Vb verleent of verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning: voor de duur van de arbeidsovereenkomst, aanstelling, gastovereenkomst of werkzaamheden; of voor ten hoogste de duur van de opleiding als de kennismigrant als arts in opleiding tot specialist staat ingeschreven in een opleidingsregister. De vreemdeling kan een aanvraag indienen voor verlenging van de inkomende langetermijnmobiliteit. Verlenging is slechts mogelijk voor zover dit past binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zoals afgegeven door de eerste lidstaat en zolang de vreemdeling blijft voldoen aan de voorwaarden voor langetermijnmobiliteit. Bovenstaande geldt ook bij de inkomende langetermijnmobiliteit van de gezinsleden van onderzoeker. Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder c, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van maximaal twee jaar of voor maximaal één jaar als de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 3.30, zesde lid, Vb. Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder e, Vb verleent of verlengt de IND de verblijfsvergunning met een geldigheidsduur gelijk aan de duur van de arbeidsovereenkomst of aanstelling aangevuld met drie maanden maar niet langer dan vijf jaar. Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder g, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de geldigheidsduur van de duur van de overplaatsing, maar met een maximale geldigheidsduur van drie jaar in geval van een leidinggevende of specialist en één jaar in geval van een trainee-werknemer. Indien sprake is van lange-termijnmobiliteit, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van de overplaatsing, maar met een maximale geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de door de eerste lidstaat afgegeven vergunning voor overplaatsing binnen een onderneming. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling aan een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs met goed gevolg een geaccrediteerde bachelor- of masteropleiding of een postdoctorale opleiding heeft afgerond: een diploma of getuigschrift; of een verklaring met de datum waarop aan alle voorwaarden is voldaan voor het verkrijgen van een diploma of getuigschrift van die opleiding. De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling een dergelijke opleiding heeft afgerond, een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling die: opleidingen verzorgt in het kader van de Wet op het specifiek cultuurbeleid; opleidingen verzorgt in het kader van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken; of is aangewezen in het Voorschrift Vreemdelingen. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een Erasmus Mundus Masters Course heeft afgerond: een diploma of getuigschrift; en een schriftelijke diplomawaardering van Nuffic van dit diploma of getuigschrift. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een masteropleiding, een postdoctorale opleiding of een promotietraject aan een buitenlandse onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 3.23 VV heeft afgerond: een diploma of getuigschrift; en een schriftelijke diplomawaardering van Nuffic van dit diploma of getuigschrift. Een diplomawaardering van Nuffic hoeft niet overgelegd te worden als de opleiding voorkomt in het Vlaamse Hogeronderwijsregister. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een minimaal niveau van kennis van de Engelse of Nederlandse taal heeft: een testrapport van het International English Language Testing System met een minimale score van 6.0; of een testrapport van een andere Engelse taaltest zoals opgenomen in de Gedragscode internationale student hoger onderwijs met een vergelijkbare minimale score; of een diploma, certificaat of document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit inburgering; of een bewijsstuk waaruit blijkt dat de vreemdeling zijn masteropleiding, postdoctorale opleiding of promotietraject heeft genoten in het Engels of het Nederlands. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan het looncriterium zoals is vastgelegd in artikel 2.1, BuWav: een arbeidsovereenkomst; een aanstellingsbesluit; of als sprake is van overplaatsing in concernverband, niet zijnde een overplaatsing binnen een onderneming als bedoeld in artikel 3.30d Vb, en geen arbeidsovereenkomst wordt aangegaan met het in Nederland gevestigde onderdeel van het bedrijf: een verklaring van het bedrijf in het buitenland waarin staat wat de duur van de overplaatsing is, de aard van het dienstverband en het loon. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan: een arbeidsovereenkomst; of een aanstellingsbesluit. De IND beschouwt als bewijsmiddelen waaruit moet blijken dat de vreemdeling een marktconform loon verdient, documenten met daarin informatie over: de aard van het bedrijf en het totale personeelsbestand van het bedrijf; de opleiding van de kennismigrant. De werkgever moet inzichtelijk maken dat de kennismigrant over bepaalde kwalificaties beschikt. Dit kan de werkgever aantonen door het overleggen van diploma’s en/of getuigschriften van de kennismigrant. Kopieën van diploma’s en getuigschriften moeten zijn gewaardeerd door het Nuffic; de functie die de kennismigrant gaat vervullen. De werkgever moet: aangeven wat de naam van de functie is en welke taken de kennismigrant binnen deze functie gaat vervullen; en aantonen welke speciale deskundigheid op het gebied van opleiding en werkervaring nodig is om deze functie te doen vervullen door een kennismigrant; en de arbeidsplaats. De werkgever moet: aangeven of er een Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) van toepassing is, en zo ja, welke; en inzichtelijk maken dat het loon en andere arbeidsvoorwaarden (inclusief de overige vergoedingen die aan de kennismigrant betaald gaan worden), overeenkomen met de laatst overeengekomen CAO. Als geen sprake is van een CAO moet de werkgever informatie verstrekken dat het loon en andere arbeidsvoorwaarden overeenkomen met vergelijkbare functies. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit de duur en de aard van het dienstverband en het loon blijken en waarin de functiescheiding en de functiecode zoals gedefinieerd in het universitair functieordeningssysteem zijn opgenomen: een arbeidsovereenkomst; of een aanstellingsbesluit. een aanstellingsbesluit; of een gastovereenkomst. De IND beschouwt een bewijs van inschrijving in het opleidingsregister van de Medische Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is ingeschreven als arts of specialist in opleiding. De IND beschouwt een gastovereenkomst als bedoeld in paragraaf B6/2.4 Vc als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, Vb. De gemachtigde en krachtens artikel 2c van de Vw als referent erkende onderzoeksinstelling of de vreemdeling stuurt met de kennisgeving de volgende bewijsmiddelen mee naar de IND: Een ingevuld en ondertekend machtigingsformulier waarmee de vreemdeling de erkende onderzoeksinstelling in Nederland machtigt; Een verklaring van de gemachtigde onderzoeksinstelling dat de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden voor toelating bij kortetermijnmobiliteit van onderzoekers; Een gastovereenkomst met de Nederlandse onderzoeksinstelling, als bedoeld in artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/801, waarin de gegevens zijn opgenomen als bedoeld in artikel 3.20d VV; Een kopie van de geldige verblijfsvergunning voor onderzoek zoals afgegeven door de eerste lidstaat; Een kopie van een geldig document voor grensoverschrijding op naam van de vreemdeling; en Een door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring. Indien de vreemdeling geen gebruik maakt van de mogelijkheid om de onderzoeksinstelling te machtigen, dan is de vreemdeling zelf verantwoordelijk voor het tijdig indienen van de kennisgeving voorzien van alle relevante bewijsmiddelen zoals hierboven van de gemachtigde erkende onderzoeksinstelling gevraagd, met uitzondering van de verklaring van de gemachtigde onderzoeksinstelling dat de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden voor toelating bij mobiliteit. In dat geval wordt van de vreemdeling gevraagd dat de kennisgeving, in aanvulling op de hierboven reeds genoemde bewijsmiddelen, vergezeld gaat van: Een bewijs van de Nederlandse onderzoeksinstelling dat de vreemdeling toegelaten is tot het in Nederland te verrichten onderzoek; Een bewijs dat de mobiliteit voor de duur van maximaal 180 dagen is en binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning past; Een bewijs dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan zoals genoemd in paragraaf B6/2.4 Vc; en Een bewijs dat de vreemdeling voldoende is verzekerd tegen ziektekosten. Voor de gezinsleden van de onderzoeker moeten met de kennisgeving dezelfde bovenvermelde bewijsmiddelen meegezonden worden. De IND staat geen mobiliteit toe aan de vreemdeling indien de kennisgeving niet is voorzien van alle relevante bewijsmiddelen gelet op de termijn van 30 dagen als bedoeld in artikel 28, zevende lid, respectievelijk artikel 30, tweede lid van richtlijn (EU) 2016/801. De erkende referent stuurt met de aanvraag de volgende bewijsmiddelen mee naar de IND: Een kopie van de geldige verblijfsvergunning voor onderzoek zoals afgegeven door de eerste lidstaat; Een kopie van een geldig document voor grensoverschrijding op naam van de vreemdeling; Een door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring; en Een verklaring van de erkende referent dat de onderzoeker voldoet aan alle voorwaarden voor toelating bij langetermijnmobiliteit van onderzoekers. De IND beschouwt een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel met een omschrijving van het beroep of de bedrijfsactiviteiten die in de onderneming worden uitgeoefend als bewijsmiddel dat de onderneming is ingeschreven in het handelsregister. Financiële bewijsmiddelen ter staving van de aanvraag moeten zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde onafhankelijke externe deskundige (register accountant, een accountant administratieconsulent, boekhouder of een financieel adviseur). De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van artikel 3.20b, VV, in ieder geval een van de volgende bewijsmiddelen: De vreemdeling zelf bekostigt de financiering: een afschrift van een bankrekening die mede of uitsluitend op naam van de vreemdeling of van de onderneming is gesteld, waarop het saldo staat vermeld dat beschikbaar is; of een verklaring van de buitenlandse bank waar de vreemdeling een rekening heeft waaruit blijkt welk bedrag (maandelijks) ten gunste van de vreemdeling wordt overgemaakt op diens bankrekening in Nederland, die mede of uitsluitend op naam van de vreemdeling staat; De begeleider bekostigt de financiering: De overeenkomst tussen de vreemdeling en de begeleider dat aan de vreemdeling financiële middelen worden toegekend; Een derde persoon of rechtspersoon bekostigt de financiering: een verklaring van de bank waaruit blijkt welk bedrag maandelijks ten gunste van de vreemdeling wordt overgemaakt op diens bankrekening in Nederland gedurende het verblijf in Nederland; of een verklaring van de derde persoon of rechtspersoon welk bedrag maandelijks ten gunste van de vreemdeling wordt overgemaakt op diens bankrekening in Nederland gedurende diens verblijf in Nederland; en een recent(e) bankafschrift of rekeningspecificatie waar het rekeningsaldo van de derde persoon of rechtspersoon op staat; en een kopie van het paspoort van de derde persoon. De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van EZ voor de beoordeling van de deskundigheid en betrouwbaarheid van de begeleider: een bewijs van inschrijving van de start-up van de vreemdeling in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel; bewijsstukken waaruit blijkt dat de begeleider minimaal 2 jaar ervaring heeft in het selecteren en begeleiden van startende ondernemers, zoals een eigen ondernemingsplan, voorbeelden van begeleide start-ups, referenties en/of het curriculum vitae van minimaal twee medewerkers waaruit ervaring blijkt; bewijsstukken waaruit blijkt dat de begeleider financieel gezond is, zoals recente jaarrekeningen, overeenkomsten met financiers, garantstellingen door financiers, accountantsverklaringen, bankafschriften en/of onderbouwde financiële prognoses. De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van EZ voor de vreemdeling (start-up): een bewijs van inschrijving van de begeleider in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel; een stappenplan van de vreemdeling dat informatie bevat over: de rol van de vreemdeling in de start-up (de organisatie); het idee voor het product of de dienst van de start-up; de innovatie van het product of de dienst; de activiteiten (stappen) die de startende ondernemer neemt in het eerste jaar om van idee tot onderneming te komen. een door beide partijen ondertekende overeenkomst tussen de vreemdeling en de begeleider dat informatie bevat over: de aard van de begeleiding (bijvoorbeeld de aangeboden faciliteiten, bijvoorbeeld over toegang tot coaching, technologie, onderzoek, bescherming intellectueel eigendom, marktonderzoek, financiering etc); de voorwaarden waaronder de begeleiding wordt aangeboden; het (mogelijk) belang van de begeleider in de onderneming. De IND beschouwt als bewijsmiddel dat er geen familierechtelijk relatie is tussen de vreemdeling en de begeleider een verklaring waarin de vreemdeling bevestigt dat er geen familierechtelijke relatie (tot en met de derde graad) bestaat tussen de vreemdeling en de begeleider. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling bevoegd is een beroep of onderneming uit te oefenen: een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel; en een document afgegeven door de bevoegde Nederlandse autoriteit dat de vreemdeling in het bezit is van de noodzakelijke vergunningen om een beroep of onderneming uit te oefenen. De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van EZ of het Ministerie van VWS: een document afgegeven door de bevoegde Nederlandse autoriteit, dat de vreemdeling in het bezit is van de noodzakelijke vergunningen om een beroep of onderneming uit te oefenen; een volledig ingevulde en ondertekende ‘Bijlage verklaring inkomen zelfstandig ondernemer’ met de daarin gevraagde bewijsmiddelen; een ondernemingsplan dat informatie bevat over: persoonlijke gegevens van de ondernemer; het product of de dienst; een marktanalyse toegespitst op het eigen product of dienst; de organisatie; de (openings)balans; de omzet- en liquiditeitsprognose inclusief berekeningen; en een specificatie en begroting arbeidscreatie en investeringen. afschriften van behaalde diploma’s voorzien van een Nuffic/ stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) waardering voor zover het een buitenlands diploma betreft; afschriften van getuigschriften (diploma, promotie) van een Nederlandse opleiding (dit geldt facultatief voor Turkse vreemdelingen); als sprake is van een onderneming in het land van herkomst: de akte van oprichting en de statuten van de onderneming; arbeidsovereenkomst(en) en referenties van de voormalige dienstbetrekking(en); financiële gegevens, zoals omzetgegevens, jaarrekeningen, belastinggegevens, loonstaten, loonaangiften, e.d. bewijsmiddelen (bijv. patenten of referenties van kennisinstellingen e.d.) die het innovatieve karakter van het product of de dienst voor Nederland aantonen (dit geldt facultatief voor Turkse vreemdelingen); bewijsmiddelen van arbeidscreatie in de eigen onderneming (dit geldt facultatief voor Turkse vreemdelingen); gegevens met betrekking tot de voorgenomen investeringen (dit geldt facultatief voor Turkse vreemdelingen); als sprake is van een bv: een kopie van het aandelenregister en de oprichtingsakte; als sprake is van een vof/cv: een kopie van vof/cv contract met daarin: inbreng van vennoten, verantwoordelijkheden en aandeel in resultaat; als de vreemdeling een freelancer is: kopieën van intentieverklaringen en/of overeenkomst(en) van (de) opdracht(en) waaruit blijkt dat de vreemdeling in opdracht werkzaamheden als freelancer gaat uitvoeren. De vreemdeling die arbeid wil verrichten als zelfstandig kunstenaar moet ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van OCW de bewijsmiddelen overleggen zoals genoemd in bijlage 8aaa, behorend bij artikel 3.20a, vijfde lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000. De IND vraagt advies op bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor de vraag of de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming voldoende is gewaarborgd indien een vreemdeling, die eerder gebruik heeft gemaakt van de start-up regeling, een aanvraag heeft ingediend tot een eerste verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in artikel 3.30 Vb en niet voldoet aan artikel 3.20, eerste lid, VV. Bij een positief advies van de RVO kan de IND de middelen van bestaan in dat geval ook als duurzaam aanmerken. Voor de door de vreemdeling te overleggen bewijsmiddelen ten behoeve van het advies van de RVO omtrent de continuïteit en de solvabiliteit van de onderneming wordt verwezen naar paragraaf B1/8.2.2 Vc. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een aanzienlijk kapitaal heeft geïnvesteerd: bij een eenmanszaak: een bankafschrift van de onderneming waarop het geïnvesteerde bedrag staat en de (openings)balans; bij een vof: een oprichtingsakte of contract waarin staat hoe groot de financiële deelname is van iedere vennoot, de (openings)balans en een bankafschrift van de onderneming; of bij een bv en een nv: de oprichtingsakte. De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan het looncriterium voor houders van een Europese blauwe kaart: een arbeidsovereenkomst; of een aanstellingsbesluit. Paragraaf B6/4.3 Vc is van overeenkomstige toepassing. De IND beschouwt een schriftelijke Internationale Diplomawaardering als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling beschikt over een diploma van hoger onderwijs en dat deze opleiding vergelijkbaar is met een Nederlandse opleiding voor hoger onderwijs. De IND beschouwt een origineel gewaarmerkte kopie van het diploma van hoger onderwijs in Nederland als bewijsmiddel waar uit moet blijken dat de vreemdeling beschikt over een diploma van hoger onderwijs. Deze paragraaf is een uitwerking van artikel 4.35, lid 1, onder e VV en artikel 3.30b Vb. De IND beschouwt in ieder geval als begin van bewijs dat de vreemdeling beschikt over voldoende en relevante hogere beroepsvaardigheden: een eigen verklaring; een cv; en een afschrift van de vacaturetekst. Dit bewijs moet aangevuld worden met een of meerdere overige stukken zoals bijvoorbeeld: referenties van werkgevers; voorgaande arbeidscontracten; een overzicht van het relevante arbeidsverleden vanuit de officiële overheidsinstantie(s); of relevante tewerkstellingsvergunningen afgegeven door de officiële overheidsinstantie(s). De IND beschouwt de volgende stukken als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er economische activiteit plaats vindt bij de referent: een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel; een bewijs van een eigen adres waar economische activiteiten verricht worden, zoals een huurcontract of koopakte; een verklaring van betalingsgedrag als bedoeld in artikel 1.1.12 van de Leidraad Invordering 2008, die op de datum van indiening niet ouder is dan drie maanden; en een geanonimiseerde verzamelloonstaat waaruit blijkt dat ten minste een fte al werkzaam is in de gastentiteit vóór de komst van een beoogd houder van een Europese blauwe kaart. De IND vereist bovenstaande bewijsmiddelen niet als het gaat om een erkend referent. De IND beschouwt een postbus niet als een bewijs van een eigen adres. De IND beschouwt een bewijs van inschrijving in het BIG-register als bewijsmiddel dat de vreemdeling in het BIG-register is geregistreerd. De IND beschouwt als bewijsmiddel documenten waarin staat dat de vreemdeling voldoet aan de vereisten om een gereguleerd beroep uit te oefenen en dat deze vereisten erkend zijn in de zin van artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties. De IND beschouwt een document waaruit de duur en aard van het eerdere verblijf als houder van een Europese blauwe kaart in de andere EU-lidstaat blijkt als bewijsmiddel dat de vreemdeling geen mvv hoeft over te leggen. De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de vreemdeling houder is van een door een andere lidstaat afgegeven Europese blauwe kaart: Een kopie van het verblijfsdocument met de vermelding ‘Europese blauwe kaart’ afgegeven door de andere lidstaat van de EU. De IND beschouwt een positief advies van het UWV dat ten behoeve van de vreemdeling is afgegeven als bewijsmiddel dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.30d, eerste lid, onderdelen a tot en met i, Vb. De IND beschouwt als bewijsmiddel voor de adviesaanvraag bij het UWV in ieder geval: Een opdrachtbrief van de werkgever met daarin de gegevens zoals vermeld in artikel 3.30d, eerste lid, onder d, Vb; en Een cv van de vreemdeling waaruit blijkt welke opleidingen hij heeft afgerond en waaruit – indien van toepassing – de werkervaring blijkt. Vorenstaande bewijsmiddelen gelden zowel voor de erkend-referent in de gevallen zoals genoemd in paragraaf B6/2.7 Vc, als de niet-erkend referent en de vreemdeling die voor overplaatsing binnen een onderneming in aanmerking wil komen. In de hieronder genoemde specifieke gevallen beschouwt de IND verder als bewijsmiddel: Bij de uitoefening van een gereglementeerd beroep: Bewijs van erkenning van de beroepskwalificaties Bij een trainee-werknemer die géén houder is van een door een andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning voor overplaatsing binnen een onderneming: Diploma’s en getuigschriften waaronder een cv en een kopie van een behaald masterdiploma; en Een trainee-overeenkomst die verband houdt met de voorbereiding voor zijn toekomstige functie binnen de onderneming of groep van ondernemingen, met daarin: een beschrijving van het traineeprogramma waaruit blijkt dat het doel van het verblijf is de trainee-werknemer op te leiden voor loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfstechnieken – en methoden; de duur ervan; en de wijze waarop tijdens de overplaatsing toezicht zal worden uitgeoefend op de trainee-werknemer. In aanvulling op het bovenstaande beschouwt de IND bovendien de volgende stukken als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij het UWV als bedoeld in artikel 3.30d, vierde lid Vb, indien de referent niet erkend is: Een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel; Een bewijs van een eigen adres waar economische activiteiten verricht worden, zoals een huurcontract of koopakte; Een verklaring van betalingsgedrag als bedoeld in artikel 1.1.12 van de Leidraad Invordering 2008, die op de datum van indiening niet ouder is dan drie maanden; en Een geanonimiseerde verzamelloonstaat waaruit blijkt dat ten minste een fte al werkzaam is in de gastentiteit vóór de komst van de ICT. De IND beschouwt een postbus niet als een bewijs van een eigen adres. De IND beschouwt als een bewijsmiddel dat de vreemdeling houder is van een door een andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning voor overplaatsing binnen een onderneming: Een kopie van het verblijfsdocument met de vermelding ‘ICT’ afgegeven door de andere lidstaat van de EU. In (bijzondere) gevallen kan de IND afwijken van de over te leggen bewijsmiddelen door niet-erkend referenten. Dit geeft het UWV enige ruimte bij de beoordeling van adviesaanvragen die niet volledig aan de voorwaarden voldoen, maar waarbij op andere wijze is aangetoond dat de overkomst van de ICT naar de bestaande gastentiteit toch een positieve bijdrage levert aan de Nederlandse economie. De IND willigt de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd op grond van artikel 3.30a, eerste lid, Vb in als niet aan het looncriterium voor vreemdelingen van dertig jaar en ouder wordt voldaan als aan alle volgende voorwaarden wel wordt voldaan: de vreemdeling heeft voor het bereiken van het dertigste levensjaar verblijf gekregen als kennismigrant; de vreemdeling wijzigt niet van werkgever; en de vreemdeling voldoet nog aan het looncriterium voor vreemdelingen jonger dan dertig jaar zoals is vastgelegd in artikel 2.1, BuWav. De IND wijst de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ niet af, op grond van artikel 3.30a, eerste lid, Vb, als sprake is van alle volgende omstandigheden: de vreemdeling voldoet niet aan het looncriterium als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, BuWav; voor de vreemdeling gold bij de eerste verlening van de verblijfsvergunning als kennismigrant het looncriterium voor afgestudeerde buitenlandse studenten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, sub 2, BuWav; en de vreemdeling voldoet nog aan dit looncriterium. De IND wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af op grond van artikel 18 Vw en trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in op grond van artikel 19 Vw, juncto artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, Vw als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingediend en: de kennismigrant langer dan drie maanden werkloos is; of de kennismigrant een uitkering krachtens de Pw heeft aangevraagd. Als de houder van de Europese blauwe kaart werkloos is op het moment dat de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingediend wijst de IND de aanvraag af op grond van artikel 3.89b, tweede lid, Vb en trekt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in op grond van artikel 3.91c Vb als: de houder van een Europese blauwe kaart langer dan drie maanden werkloos is en de vreemdeling korter dan twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart; of de houder van een Europese blauwe kaart langer dan zes maanden werkloos is en de vreemdeling ten minste twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart in Nederland. In aanvulling op het voorgaande wordt verwezen naar de artikelen 3.84, 3.89b, 3.89ba, 3,89c, 3.91c en 3.91d Vb met daarin de gronden om de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet te verlengen of in te trekken in paragraaf B6/5.2 Vc.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel