1. 1. De werknemer heeft recht op verlof met behoud van loon voor een korte, naar billijkheid te berekenen tijd, wanneer hij zijn arbeid niet kan verrichten wegens:
    • - a. onvoorziene omstandigheden die een onmiddellijke onderbreking van de arbeid vergen;
    • - b. zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden;
    • - c. een door wet of overheid, zonder geldelijke vergoeding, opgelegde verplichting, waarvan de vervulling niet in zijn vrije tijd kon plaatsvinden;
    • - d. de uitoefening van het actief kiesrecht.
  2. 2. Onder zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden worden in ieder geval begrepen:
    • - a. de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont;
    • - b. het overlijden en de lijkbezorging van een van zijn huisgenoten of een van zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en in de tweede graad van de zijlijn;
    • - c. spoedeisend, onvoorzien of redelijkerwijze niet buiten werktijd om te plannen arts- of ziekenhuisbezoek door de werknemer of de noodzakelijke begeleiding daarbij van de personen, bedoeld in artikel 5:1;
    • - d. noodzakelijke verzorging op de eerste ziektedag van de personen, bedoeld in artikel 5:1.