In het antwoord op de vragen D.35 en D.36 wordt ingegaan op de situatie waarin in een afsluitend verzekeringsjaar van een kapitaalverzekering een maandpremie wordt voldaan, ofschoon met die maandpremie de vereiste bandbreedte van 10:1 wordt overschreden. In het antwoord wordt als casuspositie uitgegaan van de situatie waarin in de verzekeringsjaren voorafgaande aan de laatste maandpremie ook op reguliere basis maandpremies worden voldaan. Geldt het antwoord ook in de situatie waarin tevoren jaar- of kwartaalpremies werden voldaan?
Ja, het antwoord geldt mutatis mutandis ook in dergelijke gevallen. In dergelijke gevallen wordt voorzien in een reële maatschappelijke behoefte en is geen sprake van oneigenlijk gebruik van het regime van de kapitaalverzekeringen. Het antwoord geldt echter met nadruk niet voor de situatie waarin de kapitaalverzekering na de betaling van de laatste maandpremie premievrij wordt voortgezet. In dergelijke gevallen bestaan overigens voldoende mogelijkheden om in het laatste premiebetalende verzekeringsjaar rekening te houden met de bandbreedte-eis.
In de situatie van vraag D.43 betreft het de situatie waarin de verzekering op de reguliere vervaldatum wordt beëindigd. Geldt het beleid inzake de afsluitende maandpremie ook indien de kapitaalverzekering wordt afgekocht?
Ja, aangezien voor kapitaalverzekeringen geen afkoopverbod geldt, dient afkoop te worden aangemerkt als een van de reguliere vormen van beëindiging van een kapitaalverzekering en niet als een vorm van oneigenlijk gebruik. Het beleid inzake de afsluitende maandpremie is derhalve ook bij afkoop van toepassing.
In verband met het aangaan van een hypotheek voor de eigen woning hebben echtgenoten tot meerdere zekerheid van de aflossing van de hypotheek een kapitaalverzekering verpand aan de hypotheeknemer. Beide echtgenoten zijn als tweede begunstigde aangewezen. Als verzekeringnemer is een der echtgenoten opgenomen in de polis. Op welke wijze kan de vrijstelling van artikel 26a, tweede lid, van de Wet IB 1964 worden toegepast in de hiervoor beschreven specifieke situatie waarin beide echtgenoten als tweede begunstigden zijn opgenomen in de polis en beiden hoofdelijk schuldenaar zijn voor de hypotheekschuld. Kan in dit geval de op einddatum te verschijnen kapitaalsuitkering bij leven worden toegerekend aan de hypotheeknemer, aan beide echtgenoten die als tweede begunstigde staan vermeld op de polis, of dient deze te worden toegerekend aan de verzekeringnemer, zijnde een der echtgenoten?
De Hoge Raad heeft in het arrest BNB1988/256 beslist dat hetgeen een pandnemer uit hoofde van een overdracht tot zekerheid van een kapitaalverzekering voor rekening van de pandgever ontvangt, voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 1964 dient te gelden als een door de pandgever genoten kapitaalsuitkering uit levensverzekering.
Gelet op het feit dat de hypotheeknemer alleen in verband met de verpanding als eerstbegunstigde is opgenomen in de polis, kunnen in de in deze vraag beschreven situatie de beide echtgenoten die als begunstigden zijn aangewezen na de hypotheeknemer, als gerechtigden tot de kapitaalsuitkering bij leven op einddatum worden beschouwd voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 26a, tweede lid, van de Wet IB 1964. Bij wie van de echtgenoten het verzekeringnemerschap berust, is in dit verband zonder betekenis.
Artikel D
Kapitaalverzekeringen; regime Brede herwaardering
Onderdeel van Vragen en antwoorden Brede herwaardering (derde tranche)· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 29 november 2001