**1.** De apparatuur waarmee op grond van artikel 3.10, vierde lid, van de wet een gebruik van frequentieruimte is toegestaan dat afwijkt van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3 van de wet voldoet aan de volgende eisen:
de apparatuur is voorzien van een inrichting die de nummergegevens, bedoeld in artikel 13.4, eerste lid, van de wet zodanig selecteert dat het selectieproces niet meer dan een plaatselijke, zeer geringe verandering van de functionaliteiten van het desbetreffende netwerk veroorzaakt;
de apparatuur is voorzien van een inrichting waarmee het uitgezonden vermogen kan worden geregeld;
indien de apparatuur is voorzien van een inrichting die het, al dan niet in combinatie met het selectieproces, bedoeld onder a, mogelijk maakt om telecommunicatie af te luisteren of op te nemen, dient deze inrichting uitgeschakeld en vergrendeld te zijn;
de apparatuur is geregistreerd bij Onze Minister.
**2.** De apparatuur, bedoeld in het eerste lid, is opgeslagen bij een door de korpsbeheerder aangewezen onderdeel van het Korps landelijke politiediensten.
§ 2
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie· Informatierecht
Deze tekst geldt sinds 1 maart 2002