**1.** De eigenaar van een vissersvaartuig stelt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ervan op de hoogte indien het vaartuig wordt uitgerust met niet in dit besluit voorgeschreven reddingsmiddelen, veiligheidsmiddelen, hulpmiddelen voor plaatsbepaling en ter voorkoming van aanvaring en radio-inrichtingen.
**2.** Voorzover het middelen of inrichtingen betreft die in dit besluit met name worden genoemd, voldoen zij aan alle daarvoor in dit besluit omschreven eisen en verkeren zij in deugdelijke toestand. Voorzover zij niet met name worden genoemd in dit besluit, dienen zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor het doel geschikt te zijn en in deugdelijke staat te verkeren.
Het bepaalde in artikel 6.14, zesde lid, en artikel 6.15, eerste
lid, tweede volzin, en vierde lid, voor vissersvaartuigen,
gebouwd voor 23 november 1995, treedt in werking met ingang van
23 november 2002.
Hoofdstuk 11 › § 2
Artikel 11.24
Plaatsing aan boord van niet voorgeschreven uitrusting
Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit 2002· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 20 februari 2002