Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 6.1

Algemene beveiligingsmaatregelen

Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit 2002· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 20 februari 2002

1. Een reddingslijnsysteem is zodanig ontworpen dat het functioneel is voor alle situaties waarvoor het is bestemd en is voorzien van alle benodigde lijnen, touwen, sluitingen, oogbouten en kikkers. 2. Dekopeningen die zijn voorzien van luikhoofden of drempels waarvan de hoogte minder dan 600 mm bedraagt, zijn uitgerust met beveiligingsmiddelen zoals scharnierende of verplaatsbare relingen of netwerk. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor kleine openingen verlichting toestaan van deze eisen. 3. Schijnlichten of andere, soortgelijke openingen zijn voorzien van beveiligingsstaven waarvan de onderlinge afstand niet meer bedraagt dan 350 mm. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor kleine openingen verlichting toestaan van deze eis. 4. Het oppervlak van elk dek is zodanig ontworpen of behandeld dat de mogelijkheid van uitglijden door opvarenden tot een minimum is beperkt. In het bijzonder zijn dekken op plaatsen waar gewerkt wordt, zoals in ruimten voor machines, in kombuizen, bij lieren en op plaatsen waar vis wordt verwerkt alsmede ter plaatse van de onder- en bovenkant van ladders en voor deuren, voorzien van antislipoppervlakken. Het bepaalde in artikel 6.14, zesde lid, en artikel 6.15, eerste lid, tweede volzin, en vierde lid, voor vissersvaartuigen, gebouwd voor 23 november 1995, treedt in werking met ingang van 23 november 2002.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel