De bemanning is voldoende geoefend in het uitoefenen van haar taken gedurende noodsituaties. Deze oefeningen zullen ten minste, voorzover van toepassing, bevatten:
verschillende noodsituaties die zich kunnen voordoen zoals aanvaringen, brand en vergaan;
verschillende reddingsmiddelen die gewoonlijk op een vaartuig aanwezig zijn;
noodzaak om zich aan de algemeen geldende regels van overleven te houden;
waarde van oefenen en appèls;
de noodzaak om te allen tijde voorbereid te zijn op een noodsituatie en voortdurend alert te zijn op:
de informatie op de alarmrol, in het bijzonder:
de specifieke taken in een noodsituatie voor elke opvarende,
de inschepingsplaats voor elke opvarende, en
de signalen die aangeven dat men zich naar de inschepingsplaats dan wel het brandstation dient te begeven;
de plaats waar de persoonlijke en de reserve reddingsgordels zich bevinden;
de plaatsen waar men een brandalarm kan activeren;
de mogelijkheden tot ontsnapping;
de gevolgen van paniek;
maatregelen die genomen moeten worden om personen met een helikopter op te hijsen van het eigen vaartuig of uit een groepsreddingsmiddel;
maatregelen die genomen moeten worden indien men zich naar de inschepingsplaats dient te begeven, waaronder:
aantrekken van geschikte kleding,
aantrekken van een reddingsgordel, en
het verzamelen van extra bescherming, bijvoorbeeld dekens indien de tijd dit toelaat;
maatregelen die genomen moeten worden bij «schip verlaten», waaronder:
hoe men zich vanaf het vaartuig en vanuit het water kan inschepen in een groepsreddingsmiddel, en
hoe men vanaf een hoogte in de zee moet springen met een zo gering mogelijke kans op letsel bij het in het water komen;
maatregelen die men dient te nemen indien men zich in het water bevindt, zoals:
hoe men overleeft in situaties van:
brand of olie op het water;
koude omstandigheden, en
wateren waarin haaien voorkomen;
hoe een gekapseisd groepsreddingsmiddel opgericht kan worden;
maatregelen die genomen dienen te worden indien men zich in een groepsreddingsmiddel bevindt, zoals:
een groepsreddingsmiddel snel van het vaartuig vrij zien te krijgen;
bescherming tegen kou of extreme warmte;
gebruik van een zee-anker;
houden van een uitkijk;
uit de zee halen van en het zorgen voor overlevenden;
het zorg dragen dat een groepsreddingsmiddel door derden opgespoord kan worden;
controleren en juist gebruiken van de beschikbare uitrusting van een groepsreddingsmiddel, en
het voorzover mogelijk in de buurt blijven van het vaartuig;
de belangrijkste gevaren voor overlevenden en de algemeen geldende regels voor overleven, waaronder:
voorzorgsmaatregelen die genomen dienen te worden in koude omstandigheden;
voorzorgsmaatregelen die genomen dienen te worden in tropische omstandigheden;
blootstelling aan zon, wind, regen en zee;
het belang van het dragen van geschikte kleding;
beschermende maatregelen in een groepsreddingsmiddel;
gevolgen van onderdompeling in het water en onderkoeling;
het belang van het behoud van lichaamsvloeistoffen;
bescherming tegen zeeziekte;
juist gebruik van drinkwater en voedsel;
gevolgen van het drinken van zeewater;
beschikbare middelen om opsporing door derden te vergroten;
het belang van moed houden;
maatregelen die genomen dienen te worden bij het blussen van brand, zoals:
het gebruik van brandslangen met verschillende spuitstukken;
het gebruik van draagbare brandblussers;
kennis hebben van de plaats van branddeuren;
het gebruik van ademhalingsapparatuur.
Het bepaalde in artikel 6.14, zesde lid, en artikel 6.15, eerste
lid, tweede volzin, en vierde lid, voor vissersvaartuigen,
gebouwd voor 23 november 1995, treedt in werking met ingang van
23 november 2002.
Hoofdstuk 8
Artikel 8.4
Oefening in noodprocedures
Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit 2002· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 20 februari 2002