**1.** Behoudens in de gevallen waarin toelating niet vereist is, onderzoekt de Onze Minister de verblijfsrechtelijke status van de optant en van de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd. Zo nodig verwijst hij de optant voor een bewijs van toelating naar de daartoe bevoegde instanties.
**2.** Behoudens in de gevallen genoemd in artikel 6, eerste lid , aanhef en onder b en c van de Rijkswet en waar dit overigens is bepaald, onderzoekt Onze Minister of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Rijkswet, jegens de optant of de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien jaar.
**3.** In de gevallen, bedoeld in het vijfde lid van artikel 6 van de Rijkswet, treedt hij met de optant in overleg over de vaststelling en de spelling van geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de personen die in de optieverklaring zijn genoemd, en over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de optant en van de personen die hij in zijn optie wenst te betrekken, zullen worden overgebracht.
**4.** Hij stelt de andere in de optieverklaring genoemde personen, die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie alsook inzake de naamsvaststelling kenbaar te maken.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, eerste lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.
Hoofdstuk II › Paragraaf 3
Artikel 16
Artikel 16
Onderdeel van Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 10 oktober 2010