Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Regeling hebben leden die ten minste drie jaar de vrijwillige pensioenbijdrage hebben betaald na ambtsbeëindiging tot aan hun overlijden recht op pensioen ingaande op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum waarop zij de 60-jarige leeftijd hebben bereikt.
De pensioenbijdrage (hierna: premie) komt voor 1/3 deel ten laste van het parlementslid.
Ik leid uit deze bepaling af dat gedurende de eerste drie jaren van deelname en premiebetaling een voorwaardelijk recht op uitkering bestaat. Pas als is voldaan aan de voorwaarde van drie jaar premiebetaling, ontstaat een onvoorwaardelijk recht (aanspraak).
Europarlementariërs die hun deelname aan de Regeling tijdens hun ambtsperiode beëindigen, hebben recht op terugbetaling van de premies die zij zelf hebben betaald. De premies die het EP voor hen heeft voldaan, vloeien terug naar de begroting van het EP.
Deelnemers die bij beëindiging van hun ambtsperiode bij het EP niet ten minste drie jaar premies hebben afgedragen, hebben recht op terugbetaling van hun pensioenbijdragen, vermeerderd met een samengestelde interest van 3,5% op jaarbasis.
Het pensioen bedraagt 3,5% van 40% van de basisbezoldiging van een rechter bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor elk volledig ambtsjaar en 1/12 van dat bedrag voor elke volledige maand. Het maximale pensioen bedraagt 70% (en het minimale pensioen 10,5%) van 40% van de basisbezoldiging van een rechter bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Een maximum deel van 25% van het aldus berekende pensioen kan als forfaitair bedrag worden uitbetaald aan bij de vrijwillige Regeling aangesloten leden of voormalige leden met inachtneming van een vermindering van de tarieven met 10% ten opzichte van de tarieven bij kostenneutraliteit.
Artikel 2
Inhoud van de Regeling
Onderdeel van Aanvullend (vrijwillig) pensioen voor leden van het Europees Parlement· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 8 juli 2002