Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Fiscale gevolgen voor de deelnemers aan de Regeling

Onderdeel van Aanvullend (vrijwillig) pensioen voor leden van het Europees Parlement· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 8 juli 2002

Het niet kwalificeren als pensioenregeling of lijfrentevoorziening heeft tot gevolg dat het deel van de premie dat de deelnemende europarlementariër zelf betaalt niet aftrekbaar is: noch als pensioenpremie, noch als lijfrentepremie. Het deel van de premie dat ten laste van het EP komt, wordt bij de desbetreffende europarlementariër belast: tot en met het jaar 2000 als inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en ingaande 2001 als resultaat uit overige werkzaamheden. Zoals in onderdeel 2 vermeld, ontstaat pas na drie jaar premiebetaling een onvoorwaardelijk recht (aanspraak) op toekomstige uitkeringen. Nadat drie jaar premie is voldaan, wordt het deel van de premie dat in de eerste drie jaar ten laste is gekomen van het EP (zijnde 2/3 deel van de totale premie over de eerste drie jaar voor het desbetreffende lid) bij de desbetreffende deelnemer belast in de inkomstenbelasting: tot en met het jaar 2000 als inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en ingaande 2001 als resultaat uit overige werkzaamheden. In het vierde jaar en de daarop volgende jaren is de bijdrage van het EP in de premie jaarlijks bij de desbetreffende deelnemer belastbaar als (met ingang van 2001) resultaat uit een werkzaamheid. Gelet op de procedure bij beëindiging van de deelname binnen drie jaar, zijn de premies die gedurende de eerste drie jaar worden voldaan te beschouwen als depotstortingen. Na ommekomst van drie jaar worden de premies uit de eerste drie jaar aangemerkt als een op dat moment betaalde premie voor de Regeling. Alsdan is er een heffingstijdstip voor het deel van de premie dat door het Europees Parlement ten behoeve van de deelnemer is voldaan. Zoals tijdens het eerder genoemde interpellatiedebat al is uitgedragen, vormen onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 de uitkeringen die uit het recht voortkomen het standpunt ingenomen dat zij belastbare periodieke uitkeringen in de zin van artikel 25, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Op dergelijke uitkeringen is de saldomethode van toepassing, d.w.z. dat de uitkeringen eerst in de belastingheffing worden betrokken voor zover zij de niet-aftrekbare premies overtreffen (Handelingen TK 29 oktober 1998, blz. 17-1246).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel