Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 12 › § 12.1

Artikel 168

Artikel 168

Onderdeel van Mijnbouwwet· Ondernemingspraktijk

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2003

De volgende wetten worden ingetrokken: de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285); de wet van 24 juni 1901, betreffende exploitatie van Staatswege van steenkolenmijnen in Limburg (Stb. 170); de wet van 23 maart 1918, tot tijdelijke ontginning van bruinkolen zonder concessie (Stb. 168); de wet van 6 maart 1915, houdende bepaling betreffende het gebruik van grond voor mijnontginning (Stb. 141); de wet van 18 juni 1918 tot ontginning van steenzout bij Buurse (Stb. 421); de wet van 27 september 1920 tot uitbreiding van het Staatsmijnveld (Stb. 752); de wet van 17 maart 1923, betreffende afstand van een gedeelte van voor ontginning van Staatswege gereserveerde terreinen (Stb. 102); de wet van 20 juni 1924, betreffende opsporing van delfstoffen (Stb. 307); de wet van 29 juni 1925, houdende bijzondere regeling voor het verleenen van mijnconcessiën (Stb. 287); de wet van 1 mei 1970, houdende regeling betreffende de Mijnraad (Stb. 196); de wet van 30 oktober 1997 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet op de gevaarlijke werktuigen in verband met uitbreiding van het toepassingsgebied tot de mijnbouwsector (Stb. 536); de Mijnwet 1903; de Mijnwet continentaal plat; de Wet opsporing delfstoffen.

Rechtspraak bij dit artikel