In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen, die ertoe strekken dat ten behoeve van de opsporingswerkzaamheden wordt samengewerkt, waarbij:
de vergunninghouder voor 60% en de vennootschap voor 40% belang neemt;
de werken die door het doen van de in artikel 90, eerste lid, onderdeel a, bedoelde investeringen tot stand zijn gekomen voor 60% toebehoren aan de vergunninghouder en voor 40% aan de vennootschap;
de vergunninghouder en de vennootschap ten behoeve van de samenwerking, in verhouding tot ieders belang in de samenwerking, de middelen verstrekken die bestemd zijn voor het doen van de uitgaven, bedoeld in artikel 90, eerste lid, onderdeel a;
op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is.
Hoofdstuk 5 › Afdeling 5.2 › § 5.2.2
Artikel 88
Artikel 88
Onderdeel van Mijnbouwwet· Ondernemingspraktijk
Deze tekst geldt sinds 8 augustus 2008